hoge raad

News Update Hoge Raad

Week 38 | HR wil HvJEU prejudiciële vragen stellen in verband met art. 2 lid 7 Berner Conventie
23 September 2022

CIVIEL

HR wil HvJEU prejudiciële vragen stellen in verband met art. 2 lid 7 Berner Conventie
De zaak Kwantum / Vitra draait om de vraag of een van oorsprong Amerikaanse designstoel in Nederland en België als ‘werk van toegepaste kunst’ auteursrechtelijke bescherming geniet. Voor het antwoord op die vraag is van belang of, en zo ja hoe de zogeheten materiële-reciprociteitstoets van art. 2 lid 7 van de Berner Conventie ("BC") moet worden toegepast. Deze bepaling laat toe dat voor werken die in het land van oorsprong alleen als tekeningen en modellen zijn beschermd, in een andere BC-lidstaat slechts de bijzondere bescherming kan worden ingeroepen die in dat land aan tekeningen en modellen wordt verleend. Volgens de HR valt het auteursrecht op een werk van toegepaste kunst onder de bescherming van art. 17 lid 2 Handvest Grondrechten EU.

Volgens de HR is denkbaar dat het EU-recht, in het bijzonder art. 52 lid 1 Handvest Grondrechten EU, vereist dat een beperking van de uitoefening van het auteursrecht op een werk van toegepaste kunst door de materiële-reciprociteitstoets van art. 2 lid 7 BC op duidelijke en nauwkeurige wijze bij wet wordt gesteld. Bovendien is volgens de HR denkbaar dat het uitsluitend aan de EU-wetgever is (en niet aan de nationale wetgevers) om te bepalen of het auteursrecht op een werk van toegepaste kunst uit een derde land waarvan de auteur geen onderdaan is van een lidstaat van de EU, in de EU door toepassing van art. 2 lid 7 BC kan worden beperkt. De HR wil hierover prejudiciële vragen stellen aan het HvJEU.

ECLI:NL:HR:2022:1276

CIVIEL

Interpretatie art. 23 en art. 58 Pensioenwet
De HR interpreteert in de zaak Euronext / VPE enkele bepalingen uit de Pensioenwet ("Pw"). Art. 58 lid 1 Pw bepaalt dat indien een ouderdomspensioenrecht (het recht op een ingegaan pensioen) van een gepensioneerde die geen gewezen deelnemer aan een bepaalde pensioenregeling is geweest, wordt verhoogd door middel van een toeslag, het ouderdomspensioenrecht van een gepensioneerde die wel een gewezen deelnemer is geweest, in dezelfde mate wordt verhoogd. Art. 58 lid 3 Pw bepaalt dat indien een ouderdomspensioenrecht wordt verhoogd door middel van een toeslag, de pensioenaanspraak (het recht op een nog niet ingegaan pensioen) van een gewezen deelnemer die in dezelfde pensioenregeling heeft deelgenomen in dezelfde mate wordt verhoogd. De HR oordeelt dat deze bepalingen zich alleen verzetten tegen een onderscheid dat kan ontstaan in het geval van een verhoging van een ouderdomspensioenrecht door middel van een toeslag. Verhoging van pensioenaanspraken van actieve deelnemers kan volgens de HR niet leiden tot een door art. 58 lid 1 en lid 3 Pw verboden onderscheid. Art. 23 lid 1 Pw bepaalt onder meer dat een werkgever wanneer een werknemer via een pensioenovereenkomst pensioenaanspraken verwerft, deze via een uitvoeringsovereenkomst bij een pensioenuitvoerder moet onderbrengen. De HR oordeelt dat nu gewezen deelnemers en pensioengerechtigden niet langer pensioenaanspraken verwerven, de werkgever voor hen geen uitvoeringsovereenkomst met een pensioenuitvoerder in stand meer hoeft te houden.

ECLI:NL:HR:2022:1267

Meld u aan voor de News Update Hoge Raad
Written by:

Key Contact

Amsterdam
Advocaat | Partner
+31 20 605 61 11
+31 6 2025 0758