hoge raad

News Update Hoge Raad | Week 27

Bepaling ‘Erfolgsort’ in verband met Peeters/Gatzen-vordering
03 July 2020
3 juli 2020

Civiel

Bepaling ‘Erfolgsort’ in verband met Peeters/Gatzen-vordering
Op 6 februari 2019 oordeelde het HvJ EU dat de Peeters/Gatzen-vordering onder het bereik van de EEX-Vo valt en niet onder de Insolventieverordening. De HR beoordeelt nu waar de ‘plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan’ in de zin van art. 5 (3) EEX-Vo is gelegen en in het bijzonder wat het 'Erfolgsort' is. De ingestelde Peeters/Gatzen-vordering beoogt verhaalsbenadeling te herstellen die is veroorzaakt door gesteld onrechtmatig handelen van Fortis jegens de gezamenlijke schuldeisers. Dit handelen bestaat in het zondermeer meewerken aan de opnames in contanten door een betrokkene van een in België bij Fortis aangehouden zichtrekening van de failliete vennootschap, waardoor het tegoed op die rekening als verhaalsobject is verdwenen. De HR oordeelt dat de schade dus aanvankelijk in België is ingetreden. Onder verwijzing naar Marinari/Lloyd's oordeelt de HR dat het ‘Erfolgsort’ niet in Nederland is gelegen op de enkele grond dat de schuldeisers in Nederland financiële schade hebben geleden. Die schade is immers een gevolg van de aanvankelijk in België ingetreden schade. Daarom is voor de bepaling van de internationale bevoegdheid verder niet van belang of in het onderhavige geval sprake is van andere aanknopingspunten met Nederland of andere bijzondere omstandigheden als bedoeld in HvJ EU Universal Music/Schilling.

ECLI:NL:HR:2020:1223

Civiel

Geen fatale termijn in procesreglement Hoge Raad
De HR oordeelt dat de wet niet de bevoegdheid geeft om bij procesreglement van de wet afwijkende eisen te stellen aan de termijn waarbinnen incidenteel cassatieberoep kan worden ingesteld. Het in het procesreglement van de HR genoemde uiterlijke tijdstip waarop de verweerder het verstek kan zuiveren, is dan ook geen fatale termijn voor het instellen van incidenteel cassatieberoep die op straffe van niet-ontvankelijkheid in acht moet worden genomen. Het in de bepaling genoemde tijdstip is slechts een belangrijke aanwijzing dat het in strijd met de goede procesorde is indien een incidenteel cassatieberoep na dat tijdstip wordt ingesteld. Indien de termijn niet in acht is genomen, kan op grond van de omstandigheden van het geval worden geoordeeld dat het instellen van het incidentele cassatieberoep desondanks niet in strijd is met de eisen van een goede procesorde.

ECLI:NL:HR:2020:1224

Fiscaal

Inspecteur beschikt over nieuw feit door niet beantwoorden van vragen
Belanghebbende heeft zijn aangiften IB laten indienen door een belastingconsulent naar wie een onderzoek is ingesteld. Dit onderzoek heeft de inspecteur aanleiding gegeven om aan belanghebbende vragen te stellen over in de aangiften IB geclaimde aftrekposten. Belanghebbende heeft hierop niet gereageerd. Volgens het hof beschikt de inspecteur hierdoor over een nieuw feit in de zin van art. 16 AWR en is hij zodoende bevoegd om de aftrekposten te corrigeren. De HR overweegt dat in het oordeel van het hof ligt besloten dat er in casu sprake is van een nieuw feit nu (i) de belastingconsulent op grote schaal onjuiste aangiften heeft ingediend, (ii) dit wellicht ook het geval is bij de aangiften van belanghebbende en (iii) de inspecteur bevestiging van dit vermoeden heeft kunnen ontlenen aan het uitblijven van antwoorden op de gestelde vragen. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

ECLI:NL:HR:2020:1180

Meld u aan voor de Hoge Raad News Update

Written by:
Albert Knigge

Key Contact

Amsterdam
Advocaat | Managing Partner
+31 20 605 65 62
+31 6 5184 5323