hoge raad

News Update Hoge Raad | Week 41

Juridische beoordeling toch van belang voor de aanvang van de verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW
09 October 2020
9 oktober 2020

Civiel

Aanvang van de verjaringstermijn van 3:310 lid 1 BW
Onbekendheid met de juridische beoordeling van feiten en omstandigheden met betrekking tot de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon, staat weliswaar niet in de weg aan de aanvang van de verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW, maar deze juridische beoordeling ziet niet op de kennis en het inzicht die nodig zijn om een geleverde prestatie te beoordelen. Voor het moment waarop de benadeelde voldoende zekerheid heeft dat schade is veroorzaakt door foutief handelen van de betrokken persoon, kan van belang zijn dat de benadeelde mocht vertrouwen op de deskundigheid van de aangesprokene en dat hij (nog) geen reden had om te twijfelen aan de deugdelijkheid van diens handelen. Ook kan van belang zijn dat de aangesprokene andere oorzaken voor het opgetreden nadeel heeft aangewezen, of anderszins geruststellende mededelingen heeft gedaan over diens prestatie of het te verwachten nadeel.

ECLI:NL:HR:2020:1603

Civiel

Cassatieberoep tegen een tijdens de enquêteprocedure gegeven beschikking ontvankelijk
Verweerders in cassatie betoogden dat de eisers in cassatie niet ontvankelijk waren in hun cassatieberoep tegen een beschikking van de Ondernemingskamer, omdat deze beschikking gewezen was in de loop van een enquêteprocedure en deze enquêteprocedure inmiddels was geëindigd vanwege een in kracht van gewijsde gegane beschikking. De HR verwerpt dit niet-ontvankelijkheidsverweer en oordeelt dat ook na het eindigen van de enquêteprocedure in cassatie kan worden onderzocht of een tijdens de enquêteprocedure gegeven beschikking moet worden vernietigd op de in art. 79 RO bedoelde gronden, mits tegen die beschikking tijdig en op juiste wijze cassatieberoep is ingesteld. In dat verband is niet van belang of de Ondernemingskamer in haar beschikking al dan niet een voorziening heeft getroffen met een blijvend gevolg.

ECLI:NL:HR:2020:1593

Straf

Benadelingsbedrag ten tijde van vervolgingsbeslissing leidend
Verdachte is veroordeeld voor uitkeringsfraude. Op basis van de Aanwijzing Sociale Zekerheidsfraude mocht de verdachte in beginsel niet worden vervolgd bij een benadelingsbedrag van minder dan € 50.000,-. Hoewel het benadelingsbedrag ten tijde van de vervolgingsbeslissing nog ruim € 128.000,- bedroeg, is dat bedrag enkele maanden later vastgesteld op € 0,-. De HR oordeelt dat bij de beantwoording van de vraag of het OM op basis van de Aanwijzing mocht overgaan tot vervolging, moet worden uitgegaan van de gegevens die ten tijde van de vervolgingsbeslissing aan het OM bekend waren. De verdachte mocht daarom worden vervolgd; daaraan doet niet af dat het benadelingbedrag na de vervolgingsbeslissing is vastgesteld op € 0,-.

ECLI:NL:HR:2020:1496

Meld u aan voor de News Update Hoge Raad
Written by:
Albert Knigge

Key Contact

Amsterdam
Advocaat | Managing Partner
+31 20 605 65 62
+31 6 5184 5323
Frank Mattheijer

Key Contact

Amsterdam
Advocaat | Counsel
+31 20 605 69 12
+31 6 4239 2742