hoge raad

News Update Hoge Raad | Week 14

Rangwijziging bij pandrechten mogelijk
09 April 2021
9 april 2021

Civiel

Rangwijziging bij pandrechten mogelijk
Bij het bepalen van de rangorde van pandrechten geldt als uitgangspunt de prioriteitsregel op basis waarvan het tijdstip van vestiging beslissend is, en een eerder gevestigd pandrecht in rang boven een later gevestigd pandrecht op hetzelfde goed staat. De mogelijkheid tot rangwijziging van pandrechten is – anders dan bij hypotheken (art. 3:262 lid 1 BW) – niet uitdrukkelijk in de wet neergelegd, hoewel daar in de praktijk wel behoefte aan bestaat en het pandrecht en hypotheekrecht soortgelijke zekerheidsrechten zijn. De HR overweegt dat het past in het stelsel van de wet en aansluit bij de in de wet geregelde gevallen om aan te nemen dat rangwijziging ook ten aanzien van het recht van pand mogelijk is en dat artikel 3:262 BW zich leent voor analoge toepassing op pandrechten. Dit betekent dat het mogelijk is te bepalen dat een recht van pand ten aanzien van een of meer pandrechten op hetzelfde goed een hogere rang heeft dan hem volgens het tijdstip van zijn vestiging toekomt, mits uit de akte betreffende rangwijziging (of uit een of meer afzonderlijke akten die in samenhang daarmee moeten worden gelezen) blijkt dat de gerechtigden tot de pandrechten die door de rangwijziging in rang worden verlaagd daarin toestemmen. De toestemming door deze pandhouders dient te voldoen aan hetzelfde vormvereiste als geldt voor de vestiging van het desbetreffende recht van pand. Een dergelijke rangwijziging kan plaatsvinden ter gelegenheid van de vestiging van een nieuw recht van pand – waarbij de akte betreffende rangwijziging kan worden opgenomen in die waarbij het nieuwe recht van pand wordt verleend – maar ook naderhand. De rangwijziging kan slechts worden tegengeworpen aan anderen van wie de rechtspositie ten aanzien van het goed door de rangwijziging wordt geraakt zoals houders van pandrechten waarvan de rang niet wordt verlaagd, andere beperkt gerechtigden en beslagleggers indien zij met de rangwijziging instemmen. Deze instemming is vormvrij en kan op ieder moment geschieden. De HR geeft in het arrest een voorbeeld ter verduidelijking. Rangwijziging is op gelijke wijze eveneens mogelijk ten aanzien van een stil pandrecht op vorderingen op naam, door middel van een authentieke of geregistreerde onderhandse akte.

Tevens komt de HR terug van zijn arrest van 18 december 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3619) waarin werd geoordeeld dat de pandhouder een pandrecht gevestigd ter verzekering van de verpande vordering slechts mag uitoefenen tot het beloop van zijn vordering op de pandgever. De HR oordeelt nu dat indien de verpande vordering op haar beurt door een pandrecht op een vordering is verzekerd, de pandhouder tevens bevoegd is de in art. 3:246 lid 1 BW geregelde bevoegdheden ten aanzien van laatstbedoeld pandrecht uit te oefenen, ongeacht het beloop van de onderscheiden vorderingen waarvoor de pandrechten zijn verstrekt.

ECLI:NL:HR:2021:524

Civiel

Nadere duiding begrip 'bemiddeling' in de zin van het verplichtstellingsbesluit Bpf Reisbranche en art. 7:425 BW
In de onderhavige zaak gaat het om de vraag of Booking.com bemiddelt in de zin van het besluit dat verplicht tot deelname aan het bedrijfstakpensioenfonds van Bpf Reisbranche (het verplichtstellingsbesluit). Op de uitleg van het verplichtstellingsbesluit – dat recht is in de zin van art. 79 RO – is de cao-norm van toepassing. Nu in het verplichtstellingsbesluit geen omschrijving wordt gegeven van het begrip 'bemiddelen' ligt het voor de hand om acht te slaan op de betekenis van 'bemiddeling' in de zin van art. 7:425 e.v. BW, aldus de HR. Bemiddeling in de zin van art. 7:425 BW houdt in dat de tussenpersoon werkzaamheden verricht die dienstbaar zijn aan het tot stand komen van de overeenkomst(en). Of werkzaamheden als bemiddeling aangemerkt moeten worden, hangt af van de omstandigheden van het geval. Indien de tussenpersoon een vergoeding bedingt naar aanleiding van het tot stand komen van de overeenkomst tussen de derde en de wederpartij, wijst dat op bemiddeling (vanwege art. 7:426 lid 1 BW). De aard, omvang en intensiteit van de te verrichten werkzaamheden kunnen variëren, en hoeven niet veelomvattend te zijn. In het onderhavige geval is niet beslissend of bij het tot stand brengen van een concrete overeenkomst tussen een accommodatiehouder en een derde sprake is geweest van bemiddeling, maar of Booking.com (in de woorden van het verplichtstellingsbesluit) “in de uitoefening van haar bedrijf bemiddelt bij het tot stand komen van overeenkomsten”. Als het online reserveringsplatform van Booking.com erop gericht is of ertoe uitnodigt dat derden met behulp van diensten of faciliteiten van het platform overeenkomsten met accommodatiehouders aangaan en Booking.com een beloning ontvangt voor het aldus tot stand komen van die overeenkomsten, behelst het bedrijfsmodel ‘bemiddelen’ in de zin van het verplichtstellingsbesluit. Hieraan staat niet in de weg dat bezoekers van het platform ook zelf de accommodatiehouders direct zouden kunnen benaderen (en zo buiten Booking.com om een overeenkomst zouden kunnen sluiten). Dat bemiddeling plaatsvindt door middel van een technologie die ten tijde van de totstandkoming van het besluit nog niet kenbaar of gangbaar was, verhindert niet dat toch voldaan kan zijn aan de omschrijving van bemiddelingswerkzaamheden in het verplichtstellingsbesluit.

ECLI:NL:HR:2021:527

Civiel

Verschoningsrecht advocaat jegens belastingdienst over informatie derdengeldenrekening
Op grond van artikel 53a AWR kunnen de daarin genoemde beoefenaars van vertrouwensberoepen, waaronder advocaten, met een beroep op hun geheimhoudingsverplichting uit hoofde van hun stand, ambt of beroep, weigeren te voldoen aan de informatieverplichtingen ten behoeve van de belastingheffing van derden. Bij de bepaling van de reikwijdte van de geheimhoudingsplicht en het verschoningsrecht wordt geen onderscheid gemaakt naar de mate van vertrouwelijkheid van de gegevens. Beslissend is of het gaat om informatie die degene die een vertrouwensberoep uitoefent, in die hoedanigheid is toevertrouwd. Of gegevens onder het verschoningsrecht vallen is in beginsel aan de verschoningsgerechtigde, en indien hij zich op dit standpunt stelt, dient de rechter dat te eerbiedigen tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat het standpunt onjuist is. De HR overweegt dat dit ten aanzien van informatie over de derdengeldenrekening van een advocaat niet anders is. Beslissend of die informatie hem in zijn hoedanigheid van advocaat is toevertrouwd. Of dat het geval is, is in de eerste plaats aan de advocaat om te beoordelen. Informatie over de derdengeldenrekening kan onder omstandigheden worden aangemerkt als informatie die de advocaat in zijn hoedanigheid is toevertrouwd. Daarbij verdient opmerking – aldus de HR – dat de advocaat alleen derdengelden mag ontvangen voor zover deze direct te relateren zijn aan een zaak en deze gelden ook functioneel zijn voor het verloop van die zaak.

ECLI:NL:HR:2021:532

Fiscaal

In het Verenigd Koninkrijk gevestigde instelling voor collectieve belegging in effecten is niet vergelijkbaar met een fiscale beleggingsinstelling
Belanghebbende is een naar het recht van het Verenigd Koninkrijk opgerichte en in het Verenigd Koninkrijk gevestigde beleggingsinstelling met rechtspersoonlijkheid en een instelling voor collectieve belegging in effecten. Noch op grond van de Nederlandse wet, noch op grond van Brits nationaal recht en evenmin op grond van het belastingverdrag tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk had belanghebbende recht op teruggaaf van door Nederland ingehouden dividendbelasting.

Belanghebbende claimde teruggaaf van dividendbelasting op basis van de vrijheid van kapitaalverkeer. De HR oordeelt echter – in lijn met het eerdere oordeel van het hof en in overeenstemming met het arrest Köln-Aktienfonds Deka gewezen door het Hof van Justitie – dat er geen recht is op teruggaaf van dividendbelasting. Belanghebbende is namelijk niet vergelijkbaar met een fiscale beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 28 Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 omdat niet is voldaan aan de "dooruitdelingseis" welke geldt voor de kwalificatie als fiscale beleggingsinstelling voor binnenlands belastingplichtigen.

ECLI:NL:HR:2021:503

Fiscaal

Verkrijging juridisch belang onroerendezaakrechtspersoon belast met overdrachtsbelasting
Voor de overdrachtsbelasting is het belastbare feit de verkrijging van de juridische of de economische eigendom van in Nederland gelegen onroerende zaken. Hieronder valt onder omstandigheden ook de verkrijging van aandelen in zogenoemde onroerendezaakrechtspersonen. Artikel 4 WBR bevat verder geen zelfstandige omschrijving van het belastbare feit. Volgens de HR is er daarom geen reden om te veronderstellen dat als belastbaar feit niet zou moeten worden aangemerkt de verkrijging van (uitsluitend) de juridische eigendom van onroerendezaakaandelen.

ECLI:NL:HR:2021:504

Meld u aan voor de News Update Hoge Raad
Written by:
Albert Knigge

Key Contact

Amsterdam
Advocaat | Managing Partner
+31 20 605 65 62
+31 6 5184 5323

Key Contact

Amsterdam
Tax Lawyer | Partner
+31 20 605 69 82
+31 6 1393 6351