Rechtsmacht gedeeltelijk aangenomen
Aangezien de (oud) leden van de Raad van Bestuur en de CFO’s in het buitenland wonen dient het Hof zijn internationale bevoegdheid vast te stellen. Ten aanzien van de bestuurs-leden baseert het Hof zijn bevoegdheid ten eerste op de nauwe band tussen de vorderin-gen tegen Airbus (ankergedaagde) en de bestuursleden (artikel 8 punt 1 Brussel I-bis Verordening (Verordening (EU) 1215/2012) dan wel artikel 7 lid 1 Rv). Aan de vorderingen ligt dezelfde situatie, feitelijk en rechtens, ten grondslag. De overkoepelende vraag die aan de basis van de gestelde aansprakelijkheid ligt is immers of de financiële publicaties van Airbus misleidend zijn. Aangezien de grondslag van de vorderingen verschilt is wel van belang of het voor de bestuurders redelijkerwijs voorzienbaar was dat zij in Nederland konden worden gedaagd. Aan die eis is volgens het Hof voldaan, omdat Airbus in Neder-land is opgericht en gevestigd en zij de financiële verslaggeving waar in het deze zaak om gaat in Nederland openbaar maakt. Het Hof acht zich ten tweede bevoegd omdat de plaats van de schadeveroorzakende gebeurtenis (Handlungsort) zich in Nederland bevindt (artikel 7 punt 2 Brussel I-bis dan wel 6 sub e Rv). De vermeende schending van de openbaarmakingsverplichtingen heeft zich immers in Nederland voorgedaan.
Het hof acht zich echter niet bevoegd ten aanzien van de vorderingen tegen de CFO’s, omdat het voor hen niet voorzienbaar was dat zij in een Nederlandse procedure zouden worden betrokken (artikel 8 punt 1 Brussel I-bis). De CFO’s staan namelijk niet in een vennootschapsrechtelijke verhouding tot Airbus en zijn niet in vennootschapsrechtelijke zin eindverantwoordelijk voor de financiële verslaggeving en het financieel beleid. Het hof weegt bij zijn oordeel mee dat de CFO’s een niet-Nederlandse nationaliteit hebben en hun werk feitelijk vanuit Frankrijk en Duitsland verrichten. Deze redenen leiden ook tot afwij-zing van artikel 7 punt 2 Brussel I-bis als bevoegdheidsgrond.
Stichting niet-ontvankelijk
Het hof verklaart SILC niet-ontvankelijk omdat zij niet voldoet aan het vereiste dat de be-langen van de achterban voldoende zijn gewaarborgd (artikel 3:305a lid 1 BW). Dit vereis-te houdt onder meer in dat de belangenorganisatie voldoende zeggenschap heeft over de vordering (artikel 3:305a lid 2 aanhef en sub c BW) en wordt mede gekleurd door de Claim Code 2019, een governance code voor belangenorganisaties die zich bezighouden met collectieve acties. Principe II van de Claim Code luidt dat de belangenorganisatie en de aan haar rechtstreeks of middellijk verbonden (rechts)personen geen winstoogmerk mogen hebben bij de uitoefening van hun werkzaamheden. SILC voldoet niet aan dit prin-cipe, aldus het Hof.
SILC heeft vrijwel al haar activiteiten uitbesteed aan DRRT, een Duits-Amerikaans advo-catenkantoor en procesfinancier en de Nederlandse vennootschap Rightshare. DRRT heeft voorbereidend onderzoek gedaan, de procedure voorgefinancierd en zich, net als Rightshare, bezig gehouden met bookbuilding. SILC, DRRT en Rightshare hebben een financieringsovereenkomst gesloten met Therium, een commerciële procesfinancier. The-rium krijgt bij een succesvolle uitkomst een vergoeding van maximaal €35 miljoen, die bestaat uit de financieringskosten (met opslag), de nog niet-gefactureerde vergoedingen van DRRT en Rightshare (met opslag) en de door hen gemaakte kosten, of 25% van de totale opbrengst. Deze vergoeding moet worden gedeeld met DRRT en Rightshare.
Hoewel een belangenorganisatie feitelijke werkzaamheden op zich mag uitbesteden, is de wijze waarop SILC dat heeft gedaan volgens het Hof in strijd met de Claim Code. DRRT en Rightshare zijn namelijk wegens hun financiële belang in de uitkomst van de procedu-re te beschouwen als rechtspersonen met winstoogmerk die middellijk (via een contractu-ele relatie) zijn verbonden met SILC. Daar komt bij dat DRRT en Therium informatie- en consultatierechten hebben bedongen die een vergaande invloed kunnen meebrengen op de besluitvorming van SILC omtrent de procedure en een eventuele schikking. Gezien de feitelijke betrokkenheid van DRRT en Rightshare bij de collectieve actie en hun financiële belang hierin heeft SILC onvoldoende zeggenschap over de vordering. Het Hof acht daar-om onvoldoende gewaarborgd dat de belangen van de beleggers voorop staan. Ten overvloede voegt het Hof daaraan toe dat SILC niet heeft voorzien in een inspraakregeling die beleggers de mogelijkheid biedt om aan de invloed van Therium, DRRT en Rightshare tegenwicht te bieden.
Het dagvaarden van functionarissen naast de vennootschap
Opvallend is dat SILC niet alleen Airbus, maar ook haar (oud) functionarissen in de actie heeft betrokken terwijl voor insolvabiliteit van Airbus niet hoeft te worden gevreesd. SILC zegt hierbij voldoende belang te hebben in verband met de waarheidsvinding en het ver-krijgen van bewijsstukken die de functionarissen mogelijk overleggen in het kader van hun verweer. Het Hof vindt dat geen misbruik van procesrecht. De Rechtbank Amsterdam had in een massaschadezaak van meer dan 100 institutionele beleggers tegen ING Groep en haar functionarissen (ook geïnitieerd door DRRT) wél nadrukkelijk haar ongenoegen geuit over het feit dat ING functionarissen in rechte waren betrokken. De Rechtbank wees de vorderingen af en sprak een hogere proceskostenveroordeling uit. De Rechtbank kon het dagvaarden van de functionarissen namelijk niet anders zien dan als oneigenlijk mid-del om een schikking af te dwingen, omdat het voor de hand had gelegen de functionaris-sen pas aan te spreken als ING aansprakelijk was bevonden en geen verhaal bood voor de schade (wat slechts een theoretische mogelijkheid was). Deze wijze van procederen vormde een volgens de Rechtbank onnodige belasting voor de functionarissen en de rechtspraak.
En nu?
SILC heeft in twee instanties te horen gekregen dat de constructie die zij met DRRT en Rightshare heeft opgetuigd neerkomt op entrepreneurial lawyering. Andere massaschadeclaims tegen Airbus hebben beleggers ook nog niets opgeleverd. Op initiatief van pro-cesfinancier Woodsford zijn Airbus Investors Recovery Stichting (AIRS) en Airbus Inves-tors Recovery Limited (AIRL) opgericht. AIRS is door de Rechtbank Den Haag wegens gebrek aan representativiteit niet-ontvankelijk verklaard in haar collectieve vorderingen. Zij heeft haar hoger beroep ingetrokken. De vorderingen van AIRL, ingestoken op basis van cessie ten behoeve van met name buitenlandse investeerders, zijn door de Rechtbank Amsterdam in 2023 op inhoudelijke gronden afgewezen. Het lijkt erop dat ook in deze zaak geen hoger beroep meer aanhangig is.
Houthoff Class Action Survey & Morais Leitão & Houthoff Class Actions seminar
Vijf jaar na onze eerste Class Action Survey in 2019 hebben wij in 2024 samen met elf vooraanstaande advocatenkantoren een uitgebreide update gepubliceerd, waarbij de opvallendste ontwikkelingen in twaalf belangrijke rechtsgebieden zijn onderzocht.
Nu we aan het begin van 2026 staan, breiden we de survey verder uit naar zestien jurisdicties en advocatenkantoren en geven we daarnaast ook een korte managementsamenvatting. Wij zullen deze updates, waaronder opkomende trends en recente ontwikkelingen, in fases delen in aanloop naar het Morais Leitão & Houthoff Class Actions Seminar, dat op 13 februari op het kantoor van Morais Leitão in Lissabon zal worden gehouden. Bij die gelegenheid zullen alle inzichten worden gepresenteerd. Het seminar is gericht op juridisch adviseurs en bestuurders van bedrijven die met collectieve procedures te maken kunnen krijgen. Deelname is exclusief op uitnodiging. Neem voor een uitnodiging contact op met Isabella Wijnberg.