Art. 102 VWEU: stelplicht en bewijslast
Civiel
Onder verwijzing naar het arrest ANVR/IATA herhaalt de HR dat een beroep op art. 102 VWEU moet worden onderbouwd met de relevante (economische) feiten en omstandigheden, opdat een voldoende adequaat en gefundeerd (economisch) partijdebat en daarop volgend rechterlijk oordeel mogelijk worden gemaakt en waarbij de rechter de werking van de desbetreffende markt in voldoende mate kan doorgronden teneinde te kunnen bepalen of, en zo ja in welke mate, de vrije mededinging op die markt is of zou kunnen worden verstoord. De HR motiveert waarom hij geen aanleiding ziet prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU. Uit art. 2 van Verordening (EG) nr. 1/2003 volgt de verdeling van de stelplicht en bewijslast bij een beroep op art. 102 VWEU, terwijl uit overweging 5 van de Verordening volgt dat de Verordening geen afbreuk doet aan de nationale voorschriften inzake de bewijsstandaard. Het beginsel van procedurele autonomie brengt mee dat behoudens het gelijkwaardigheids- en doeltreffendheidsbeginsel, het een zaak is van de interne rechtsorde dergelijke voorschriften en de beginselen voor de beoordeling van bewijs en de bewijsstandaard die wordt verlangd, vast te stellen.
Schending hoor en wederhoor na wijziging verzoek voorlopig getuigenverhoor
Civiel
Het hof had na op het bezwaar tegen een na de zitting wijzigen van een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor te hebben beslist en de wijziging te hebben toegestaan, de wederpartij op grond van het beginsel van hoor en wederhoor (art. 19 lid 1 Rv) in de gelegenheid moeten stellen inhoudelijk op het gewijzigde verzoek te reageren. Dat de wederpartij alleen bezwaar had gemaakt tegen de wijziging als zodanig, betekende niet dat hij zijn recht op een inhoudelijke reactie had prijsgegeven. Anders dan het geval is in het kader van de beoordeling van de toelaatbaarheid van de wijziging van het verzoek, is in verband met de toepassing van art. 19 Rv evenmin van belang dat de wijziging van het verzoek geen wijziging aanbracht in de aan het verzoek ten grondslag liggende feiten.