Hoge Raad: Beperking verliesverrekening (nog steeds) van toepassing op latente verliezen

11 september 2026

De Hoge Raad verduidelijkt dat de verliesverrekeningsbeperking van artikel 20a Wet Vpb zich niet beperkt tot bij beschikking vastgestelde verliezen, maar ook latente verliezen omvat die al vóór een belangenwijziging aanwezig waren en trekt een duidelijke grens bij beslagzaken.

Beperking verliesverrekening (nog steeds) van toepassing op latente verliezen

Fiscaal

Eind 2015 worden de aandelen in belanghebbende, een vastgoedvennootschap met dertien kantoorpanden en een bedrijfshal, overgedragen aan nieuwe aandeelhouders. Twee jaar later draagt belanghebbende drie van die panden over aan dochtervennootschappen en wil zij het daarbij gerealiseerde boekverlies van circa EUR 4,3 miljoen van haar winst in aftrek brengen. De inspecteur weigert de aftrek op grond van artikel 20a Wet Vpb, omdat het verlies ten tijde van de belangenwijziging al latent aanwezig was. Belanghebbende betoogt dat artikel 20a Wet Vpb alleen ziet op bij beschikking vastgestelde verliezen, niet op latente verliezen. De HR oordeelt dat artikel 20a Wet Vpb de verrekeningsbeperking van het vroegere artikel 20, lid 5 (oud), Wet Vpb voortzet. Onder dat oude regime besliste de HR al in 2004 dat de beperking ook geldt voor verliezen die fiscaal pas na een belangenwijziging worden gerealiseerd, mits zij voortvloeien uit feiten en omstandigheden van daarvóór. Nu artikel 20a die lijn continueert, vallen ook latente verliezen onder de beperking. Het cassatieberoep is ongegrond.

ECLI:NL:HR:2026:1431

De raadkamer is geen strafproces: HR trekt een duidelijke grens bij beslagzaken

Straf

De HR heeft de beschikking van de Rechtbank Rotterdam vernietigd, waarin het beklag tegen strafrechtelijk beslag op vorderingen van de verdachte – verdacht van medeplegen van valsheid in geschrift bij internationale scheepsbouwopdrachten – gedeeltelijk gegrond was verklaard. De HR oordeelt dat de rechtbank, door te overwegen dat de officier van justitie de stelling dat zonder de valsheid in geschrift de opdrachten niet zouden zijn verkregen “hoegenaamd niet” had onderbouwd, te ver is vooruitgelopen op de mogelijke uitkomst van de nog te voeren strafzaak of ontnemingszaak. De rechtbank heeft hiermee het summiere karakter van het raadkameronderzoek miskend.

ECLI:NL:HR:2026:1427