Hoge Raad: Fosfaatrechten bij (erf)pacht

16 oktober 2026

De Hoge Raad verduidelijkt wanneer de pachter de fosfaatrechten moet overdragen aan de verpachter, en geeft hij aan dat deze regel in beginsel ook geldt bij erfpacht van agrarische grond. Daarnaast bepaalt hij wie als belanghebbende geldt bij een verzoek tot herroeping op grond van artikel 390 Rv.

Fosfaatrechten bij (erf)pacht

Civiel

De HR oordeelde in 2023 dat de pachter in beginsel de aan het verpachte toe te rekenen fosfaatrechten aan de verpachter moet overdragen tegen betaling van 50% van de marktwaarde als is voldaan aan de voorwaarden uit het ASR-arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden. Nu oordeelt de HR dat deze verplichting van de pachter pas opeisbaar is bij het einde van de pachtverhouding, en dus niet al bij het einde van de looptijd van de pachtovereenkomst als de pachtverhouding voortduurt.

De HR overweegt verder ten overvloede dat het in de rede ligt dat de regel over de overdracht van fosfaatrechten bij pacht ook geldt bij erfpacht van agrarische grond en/of gebouwen. Volgens de HR kan echter niet van deze regel worden uitgegaan als partijen bij de vestiging van de erfpacht het ontstaan van productierechten en de gevolgen daarvan al in de tegenprestatie (de canon) hebben verdisconteerd.

ECLI:NL:HR:2026:1685

Belanghebbende bij een herroepingsprocedure op de voet van artikel 390 Rv

Civiel

De Stichting Polishouders Conservatrix heeft in incident verzocht om als belanghebbende te worden toegelaten in een cassatieprocedure over de herroeping van een beschikking op de voet van artikel 390 Rv. De HR overweegt dat als belanghebbende bij een verzoek tot herroeping van een beschikking op de voet van artikel 390 Rv alleen degene kan worden aangemerkt die in de procedure die tot de te herroepen uitspraak heeft geleid, verzoeker of een al dan niet verschenen belanghebbende was. De HR oordeelt dat de Stichting niet als zodanig kan worden aangemerkt, nu de beschikking dateert van 15 mei 2017 en de Stichting pas in 2022 is opgericht. De HR wijst het verzoek daarom af.

ECLI:NL:HR:2026:1686