Hoge Raad: Geen verrekeningsbevoegdheid bij na verjaring ontstane vordering

23 januari 2026

Deze week oordeelt de HR over de grenzen van de verrekeningsbevoegdheid bij na verjaring ontstane schulden, schetst hij wanneer derden als rechthebbenden op het saldo van de kwaliteitsrekening van de gerechtsdeurwaarder kunnen worden aangemerkt en maakt hij duidelijk dat gedupeerden in een witwaszaak geen schadevergoeding kunnen vorderen wanneer een voldoende causaal verband ontbreekt.

Geen verrekeningsbevoegdheid bij na verjaring ontstane vordering

Civiel

De HR oordeelt over de verrekeningsbevoegdheid bij verjaarde vorderingen. Artikel 6:131 lid 1 BW bepaalt dat de verrekeningsbevoegdheid niet eindigt door verjaring van de vordering. De HR verduidelijkt dat geen verrekeningsbevoegdheid bestaat bij verrekening van een verjaarde vordering met een schuld die pas na de voltooiing van de verjaring ontstaat. Voor schulden die na verjaring van de vordering ontstaan, geldt onverminderd het vereiste dat diegene die zich op verrekening beroept ook bevoegd moet zijn tot het afdwingen van de betaling van de vordering waarmee hij zijn schuld wil verrekenen.

ECLI:NL:HR:2026:93

Derden als rechthebbende op het saldo van de kwaliteitsrekening van de gerechtsdeurwaarder

Civiel

Niet alleen de (directe) opdrachtgevers van de gerechtsdeurwaarder, maar ook derden kunnen als rechthebbenden op (een aandeel in) het saldo van de kwaliteitsrekening worden aangemerkt. De HR verduidelijkt dat dit aan de orde kan zijn wanneer een schuldenaar, naar aanleiding van incassowerkzaamheden van de gerechtsdeurwaarder, zijn schuld aan een derde voldoet door betaling op de kwaliteitsrekening.

ECLI:NL:HR:2026:96

Geen schadevergoeding voor benadeelden in witwaszaak wegens gebrek causaal verband

Straf

De verdachte was werkzaam bij een onderneming die zich schuldig maakte aan het oplichten van investeerders door hen waardeloze obligaties te verkopen. De verdachte heeft gelden ontvangen die uit deze oplichting afkomstig waren in de vorm van salaris en is veroordeeld voor witwassen. Drie gedupeerden voegden zich als benadeelde partij en vorderden schade als gevolg van dit witwassen. Het hof wees deze vordering toe en legde daarnaast een schadevergoedingsmaatregel op. Een benadeelde partij kan in het strafproces vergoeding vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden als tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade een zodanig verband bestaat dat de benadeelde partij rechtstreekse schade heeft geleden. Het hof oordeelde dat de door de benadeelde partijen gevorderde schade aan dit criterium voldeed. De HR oordeelt echter dat geen sprake was van een zodanig nauw verband tussen de witwasgedragingen van de verdachte en de oplichting die daaraan ten grondslag heeft gelegen en de benadeelde ertoe heeft gebracht de obligaties te kopen, dat de benadeelde partij rechtstreekse schade heeft geleden. Daarvoor volstond niet dat de verdachte werkzaam was voor de onderneming die gedupeerden oplichtte en ermee bekend was dat zij werd betaald met gelden afkomstig van opgelichte investeerders.

ECLI:NL:HR:2026:78

This site is registered on wpml.org as a development site. Switch to a production site key to remove this banner.