Hoge Raad: HR oordeelt over internationale bevoegdheid en overgangsrecht WAMCA

25 september 2026

Deze week heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter in collectieve acties en de toepassing van het overgangsrecht van de WAMCA. Ook oordeelde de Hoge Raad dat de betrokkenheid van consumentenorganisaties kan meewegen bij de beoordeling van algemene voorwaarden. Daarnaast versterkte de Hoge Raad de rechtsbescherming rond het verschoningsrecht bij digitale onderzoeken door ruimere toetsing van beslissingen over gefilterde gegevens mogelijk te maken.

HR oordeelt over internationale bevoegdheid en overgangsrecht WAMCA

Civiel

In twee collectieve acties over dieselmotoren oordeelt de HR over de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter. Voor bevoegdheid van de Nederlandse rechter op grond van art. 8, punt 1 Brussel I-bis is volgens de HR niet vereist dat de groep van gedupeerden waarvoor de stichting opkomt met haar vorderingen tegen de autofabrikanten identiek moet zijn aan, dan wel deel moet uitmaken van de groep van gedupeerden waarvoor de stichting opkomt met haar vorderingen tegen de Nederlandse importeur (in dit geval de ankergedaagde). Voldoende is dat tussen de vorderingen van de stichting tegen de autofabrikanten en de vorderingen van de stichting tegen de importeur een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven. De HR ziet geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen.

Daarnaast oordeelt de HR over het overgangsrecht van de WAMCA. De WAMCA is op 1 januari 2020 in werking getreden. Het overgangsrecht in de WAMCA bepaalt dat voor een rechtsvordering die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen en die is ingesteld op of na 1 januari 2020, de voorwaarden van toepassing blijven die golden voor die datum voor zover de rechtsvordering betrekking heeft op gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016. De HR oordeelt dat in een geval waarin de rechtsvordering betrekking heeft zowel op gebeurtenissen die voor 15 november 2016 hebben plaatsgevonden als op gebeurtenissen die op of na 15 november 2016 hebben plaatsgevonden, een splitsing van de rechtsvordering dient plaats te vinden. De HR overweegt dat met het begrip ‘gebeurtenissen’ wordt gedoeld op feiten die de grondslag vormen van de rechtsvordering van een belangenorganisatie in een collectieve actie. Daarbij dient de rechter uit te gaan van hetgeen de belangenorganisatie heeft gesteld, maar ook rekening te houden met de eventuele betwisting daarvan door de gedaagde.

ECLI:NL:HR:2026:1551

ECLI:NL:HR:2026:1552

Relevantie betrokkenheid consumentenorganisaties bij toetsing algemene voorwaarden

Civiel

De Algemene Voorwaarden voor Aanneming van werk 2013, vastgesteld door Bouwend Nederland, bevatten een beding op grond waarvan de consument zijn rechten tegenover de aannemer met betrekking tot gebreken aan de woning verliest indien de consument de aannemer niet binnen de in het beding genoemde termijn dagvaardt. De HR oordeelt dat bij de beoordeling of een beding in algemene voorwaarden onredelijk bezwarend is (als bedoeld in art. 6:233, aanhef en onder a, BW) of oneerlijk is (als bedoeld in Richtlijn 93/13), mede betekenis toekomt aan de omstandigheid dat een vergelijkbaar beding voorkomt in andere algemene voorwaarden, die in overleg met belangenorganisaties voor consumenten zijn opgesteld.

ECLI:NL:HR:2026:1556

Hoge Raad versterkt bescherming van het verschoningsrecht in digitale onderzoeken

Straf

De zaak draaide om een dataset van miljoenen bestanden die onder toezicht van de rechter-commissaris (RC) was gefilterd om mogelijk vertrouwelijke communicatie met advocaten buiten het bereik van het OM te houden. De HR maakt nu duidelijk dat advocaten kunnen opkomen tegen de beslissing van de RC om het OM na zo’n filtering toch toegang te geven tot de overgebleven gegevens. Niet alleen de uiteindelijke beslissing over kennisneming door het OM ter discussie kan worden gesteld, maar ook de wijze waarop de filtering en selectie van digitale gegevens heeft plaatsgevonden. Daarmee onderstreept de HR opnieuw het fundamentele belang van het verschoningsrecht.

ECLI:NL:HR:2026:1490