Hoge Raad: HR verduidelijkt aanvang vervaltermijn bij niet-nakoming van mededelingsplicht bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen

27 februari 2026

De HR verduidelijkt aanvang vervaltermijn bij niet-nakoming van mededelingsplicht bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen. Daanaast oordeelt de HR dat het Hof de bewijslast onjuist heeft verdeeld en dat de inspecteur eerst een begin van bewijs moet leveren voor het ontbreken van zakelijke redenen, zodat de weigering van de splitsingsvrijstelling wegens verkoop binnen drie jaar onvoldoende gemotiveerd was en de zaak wordt verwezen.

HR verduidelijkt aanvang vervaltermijn bij niet-nakoming van mededelingsplicht bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen

Civiel

Op verzekeringnemers rust een plicht alle bekende en relevante feiten mee te delen ten tijde van het sluiten van een arbeidsongeschiktheidsverzekering. De verzekeraar die ontdekt dat niet aan deze meldingsplicht is voldaan, kan zich slechts op niet-nakoming daarvan beroepen indien hij de betrokken verzekeringnemer binnen twee maanden na ontdekking op deze niet-nakoming wijst met vermelding van de mogelijke gevolgen daarvan. Deze vervaltermijn vangt aan zodra de verzekeraar voldoende zekerheid heeft verkregen over de niet-nakoming van de mededelingsplicht. Wanneer de verzekeraar deze zekerheid heeft verkregen is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. De HR oordeelt dat die termijn niet gaat lopen op het moment dat een medisch adviseur medische gegevens ontvangt voor het uitvoeren van een onderzoek, gelet op diens beroepsgeheim. Als uitgangspunt geldt dat de vervaltermijn pas aanvangt zodra de medisch adviseur advies aan de verzekeraar heeft uitgebracht en de verzekeraar aan de hand daarvan met voortvarendheid heeft kunnen beoordelen of is voldaan aan de mededelingsplicht.

ECLI:NL:HR:2026:321

Algemeen misbruikvermoeden bij vervreemding onder splitsingsfaciliteit niet verenigbaar met Fusierichtlijn

Fiscaal

Belanghebbende is een uitvaartverzekeraar die haar onderneming via een juridische afsplitsing wilde verkopen en verzocht de inspecteur om toepassing van de splitsingsvrijstelling voor de vennootschapsbelasting. De Inspecteur weigerde de toepassing van de splitsingsvrijstelling, omdat de afgesplitste onderneming binnen drie jaar na de splitsing werd verkocht en dus werd vermoed dat de splitsing in overwegende mate was gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing, tenzij belastingplichtige het tegendeel aannemelijk maakte. Het Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er zakelijke redenen voor de afsplitsing bestonden. De HR oordeelt dat het Hof de bewijslast onjuist heeft verdeeld, omdat het algemene vermoeden van misbruik bij vervreemding in strijd is met de Fusierichtlijn. De inspecteur moet volgens de HR ten minste een begin van bewijs leveren dat geen zakelijke redenen voor de splitsing bestaan of dat er aanwijzingen zijn dat fiscale motieven doorslaggevend zijn geweest voor de splitsing en de enkele omstandigheid dat de afgesplitste onderneming binnen drie jaar na de afsplitsing is verkocht is daarvoor onvoldoende. De HR verklaart het cassatieberoep van belanghebbende gegrond en verwijst de zaak naar het Hof ‘s-Hertogenbosch.

ECLI:NL:HR:2026:298

This site is registered on wpml.org as a development site. Switch to a production site key to remove this banner.