Nadeelbegrip van artikel 6:230 BW: vergelijking met hypothetische situatie zonder dwaling
Civiel
Bij de verkoop van hun woning hebben verkopers nagelaten de kopers te informeren over vergunningen die zijn verleend voor het bouwen van een megastal tegenover de woning. De Hoge Raad stelt voorop dat bij het wijzigen van de gevolgen van een overeenkomst ter opheffing van het nadeel dat tot vernietiging van die overeenkomst lijdt op grond van artikel 6:230 lid 2 BW, een vergelijking moet worden gemaakt tussen de situatie waarin is gedwaald en de hypothetische situatie waarin dat niet het geval is. Volgens de Hoge Raad is het oordeel van het hof dat geen sprake is van nadeel, doordat de megastal uiteindelijk niet is gerealiseerd, hiermee onverenigbaar. Immers zouden de kopers, als zij niet hadden gedwaald, de woning tegen een lagere prijs hebben gekocht en zou de waardestijging die het gevolg is van het feit dat de megastal uiteindelijk niet is gerealiseerd, aan hen ten goede zijn gekomen. Dit betekent naar het oordeel van de Hoge Raad dat sprake is van nadeel in de zin van artikel 6:230 lid 2 BW.
Overgangsrecht bewijsrecht: oude rechtsmiddeltermijnen blijven van toepassing op verzoeken tot inzagevorderingen die vóór 1 januari 2025 zijn gedaan
Civiel
Deze zaak ziet op de in artikel 200 Rv neergelegde termijn voor het instellen van een rechtsmiddel tegen de uitspraak op een verzoek om inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens, zoals geldend sinds de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht op 1 januari 2025. Centraal stond de vraag of deze termijn uit het nieuwe bewijsrecht van toepassing is, indien het inzageverzoek is gedaan vóór de inwerkingtreding van deze wet, maar de uitspraak ná de inwerkingtreding daarvan is gedaan. In dit kader stelt de Hoge Raad voorop dat bij gebreke van een specifieke overgangsrechtelijke bepaling in de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht, moet worden teruggegrepen op de algemene uitgangspunten van civielrechtelijk overgangsrecht. Op basis van het in artikel 74 lid 1 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek neergelegde uitgangspunt, oordeelt de Hoge Raad dat wanneer na 1 januari 2025 wordt beslist op een verzoek om inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens (of een andere voorlopige bewijsverrichting) dat vóór 1 januari 2025 is gedaan, op de mogelijkheid van en de termijn voor het instellen van rechtsmiddelen gedurende de gehele procedure – ook in eventuele volgende instanties – het vóór 1 januari 2025 op dat punt geldende recht van toepassing blijft.
Richtlijnconforme interpretatie: Opzegverbod bij overgang van onderneming staat in beginsel niet in de weg aan ontslag wegens bedrijfseconomische redenen
Civiel
In deze zaak verduidelijkt de Hoge Raad de verhouding tussen enerzijds een ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de a-grond (het vervallen van arbeidsplaatsen vanwege bedrijfseconomische redenen) en anderzijds het bij overgang van onderneming geldende opzegverbod uit artikel 7:670 lid 8 BW. Volgens de Hoge Raad staat het opzegverbod van art. 7:670 lid 8 BW niet aan ontbinding in de weg als de beslissing tot aanpassing van het personeelsbestand berust op economische, technische of organisatorische redenen die geen intrinsiek verband houden met de overgang. Hoewel dit niet met zoveel woorden in artikel 7:670 lid 8 BW is opgenomen, brengt een richtlijnconforme interpretatie het voorgaande met zich. Dat het moet gaan om economische, technische of organisatorische redenen op het gebied van tewerkstelling die geen intrinsiek verband houden met de overgang van onderneming, betekent overigens niet dat er geen enkel verband mag bestaan tussen de overgang van onderneming en de aan het ontslag ten grondslag gelegde economische, technische of organisatorische redenen. De verkrijger moet immers de aanpassingen en veranderingen kunnen doorvoeren waartoe de voortzetting van zijn activiteiten noopt.