Hoge Raad oordeelt over rechtsmacht, representativiteit en gelijksoortigheid in collectieve privacy- en mededingingszaken

3 augustus 2026

De Hoge Raad heeft in de collectieve schadevergoedingsactie van The Privacy Collective (TPC) tegen Oracle en Salesforce (WAMCA) geoordeeld dat het Hof Amsterdam een te lage drempel had aangelegd bij de toetsing van het representativiteitsvereiste. De Hoge Raad hakte daarnaast nog andere procesrechtelijke knopen door. In de collectieve actie die Stichting Elco Foundation tegen een aantal banken onder artikel 3:305a BW (oud) had ingesteld in verband met de beïnvloeding van rentebenchmarks, oordeelde de Hoge Raad over de ankergedaagdebevoegdheid en het gelijksoortigheidsvereiste.

Collectieve actie van The Privacy Collective tegen Oracle en Salesforce

De procedure in feitelijke instanties

TPC verwijt Oracle en Salesforce persoonsgegevens van tien miljoen Nederlandse internetgebruikers te verzamelen en te verwerken voor commerciële doeleinden. TPC vordert zowel van Oracle als van Salesforce een schadevergoeding van € 5 miljard (totaal € 10 miljard), althans € 500 per internetgebruiker, op grond van onrechtmatige daad en op grond van artikel 82 AVG. Op deze collectieve privacy actie is artikel 3:305a BW (WAMCA) van toepassing. De Rechtbank Amsterdam had TPC niet-ontvankelijk verklaard omdat zij niet aan het representativiteitsvereiste had voldaan. In hoger beroep vond het Hof Amsterdam TPC echter wel ontvankelijk. Over dat oordeel schreven wij eerder een News Update. Het Hof stond vervolgens tussentijds cassatieberoep toe, waarvan Oracle en Salesforce gebruik hebben gemaakt.

Hoge Raad over het representativiteitsvereiste

De WAMCA stelt als nieuwe ontvankelijkheidseis dat een belangenorganisatie voldoende representatief is, gelet op de achterban en de omvang van de vertegenwoordigde vorderingen. Volgens de Hoge Raad is van belang dat een belangenorganisatie de steun heeft van een voldoende groot deel van de totale groep personen voor wie zij opkomt. Deze personen worden namelijk aan de rechterlijke uitspraak gebonden (behoudens tijdige opt-out).
Wat “voldoende groot” is, hangt af van de omstandigheden van het geval. Een indicatie is volgens de wetsgeschiedenis het aantal bij een belangenorganisatie aangesloten leden of het aantal personen dat zich actief heeft aangemeld voor de collectieve actie. Lidmaatschap of actieve aanmelding is echter niet vereist voor het aannemen van voldoende steun, aldus de Hoge Raad. Als de personen die zich bij een belangenorganisatie hebben aangesloten een evenwichtige afspiegeling vormen van de totale groep voor wie de belangenorganisatie opkomt, dan ligt het volgens de Hoge Raad voor de hand hieruit af te leiden dat de collectieve actie ook de steun heeft van een voldoende groot deel van de totale groep.

Het oordeel van het Hof Amsterdam voldeed niet aan deze maatstaf. Het hof had een te lage drempel gehanteerd door voldoende te vinden dat “een achterban bestaat, dat wil zeggen dat een niet te verwaarlozen aantal personen behorend tot die (…) groep achter deze actie van TPC staat”. Bovendien had het hof aan zijn oordeel ten grondslag gelegd dat likes op de website van TPC waren uitgebracht, zonder na te gaan of het ging om anonieme likes en of daaruit was af te leiden dat deze afkomstig waren van de personen voor wie de collectieve actie wordt gevoerd. Het Hof had wel terecht steunbetuigingen van andere belangenorganisaties meegewogen in zijn oordeel over de representativiteit.

Hoge Raad neemt uitzondering aan op het terugverwijzingsverbod

Volgens vaste rechtspraak mag de rechter in hoger beroep na vernietiging van een eind-uitspraak de zaak niet terugverwijzen naar de rechter in eerste aanleg, tenzij de rechter in eerste aanleg op louter processuele gronden niet aan de inhoudelijke behandeling is toegekomen. Van zo’n uitzondering is slechts in een beperkt aantal gevallen sprake. Volgens de Hoge Raad valt de collectieve actie ook onder deze uitzondering. De WAMCA knipt de collectieve actie namelijk op in een ontvankelijkheidsfase en een inhoudelijke fase. Een hof dat in hoger beroep een belangenorganisatie, anders dan de rechter in eerste aanleg, ontvankelijk verklaart, kan de zaak terugverwijzen naar dezelfde rechter. Dit geldt ook voor de procedure na cassatie en verwijzing. Als meerdere belangenorganisaties een collectieve vordering hebben ingesteld en de rechter in eerste aanleg wisselend heeft geoordeeld over hun ontvankelijkheid, dient hij de zaak in eerste aanleg aan te houden en te wachten met de aanwijzing van een exclusieve belangenbehartiger totdat onherroepelijk is beslist over de ontvankelijkheid van de appellerende belangenorganisatie(s).

Vervolg van de procedure; toetsing ex nunc

De Hoge Raad heeft het arrest van het Hof Amsterdam vernietigd en de zaak verwezen naar het Hof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing. Dit hof zal de representativiteit opnieuw moeten beoordelen, evenals de vraag of de vordering tot vergoeding van materiële schade voldoet aan het gelijksoortigheidsvereiste. Dat laatste had het Hof Amsterdam ten onrechte nagelaten. De ontvankelijkheidsvereisten dient de rechter ex nunc (naar de toestand ten tijde van zijn beslissing) te toetsen, zo heeft de Hoge Raad eveneens bepaald in dit arrest. Mocht het Hof Den Haag TPC ontvankelijk achten (en daartegen geen tussentijds cassatieberoep worden opengesteld), dan dient de zaak te worden terugverwezen naar de Rechtbank Amsterdam.

In de inhoudelijke fase zal dan de vraag aan de orde komen of het opdrachtvereiste van artikel 80 lid 1 AVG aan een WAMCA schadevergoedingsactie (opt-out) in de weg staat. Het Hof Amsterdam had deze vraag nog niet behandeld. De WAMCA staat aan het doorschuiven van de ontvankelijkheidstoets van artikel 80 AVG niet in de weg, aldus de Hoge Raad. Het antwoord hangt overigens af van de uitkomst van de prejudiciële procedure bij het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) in Amazon (C-523/25).

Privacy en data protection vorderingen; collectieve actie van SOMI tegen X

Het aantal collectieve schadevergoedingsacties op het gebied van privacy en data protection is in Nederland de laatste jaren explosief gestegen, met name tegen grote technologiebedrijven. Deze acties komen niet zelden overwaaien uit de Verenigde Staten en worden nu ook in de verschillende lidstaten van de Europese Unie gekopieerd. Dit wordt vergemakkelijkt door de Richtlijn 2020/1828 voor representatieve vorderingen (RAD). Een belangenorganisatie kan onder de RAD door de lidstaat van oprichting worden aangewezen als ‘bevoegde instantie voor grensoverschrijdende vorderingen’. De rechter van een andere lidstaat dient de ontvankelijkheid (procesbevoegdheid) van zo’n belangenorganisatie aan te nemen en kan nog slechts toetsen aan de ontvankelijkheidseisen die de vordering zelf betreffen.

Nederland kent inmiddels negen ‘bevoegde instanties’. Tekenend is dat vijf daarvan specifiek zijn gericht op de bescherming van privacybelangen, en een zesde (met een algemenere insteek) zich ook op die privacybelangen lijkt te richten nu deze in Nederland een collectieve privacy actie heeft ingesteld.

Een van deze ‘bevoegde instanties’ is Stichting Onderzoek Marktinformatie (SOMI). Zij heeft in Nederland collectieve privacy acties ingesteld tegen een aantal big tech bedrijven. In België, Duitsland, Frankrijk, Italië en Denemarken heeft zij vergelijkbare collectieve acties ingesteld.
Onlangs heeft de rechtbank Amsterdam in SOMI tegen X aangenomen dat SOMI aan de ontvankelijkheidseisen met betrekking tot haar organisatie voldoet, omdat zij als bevoegde instantie is aangewezen en geen nieuwe feiten naar voren waren gebracht die tot een ander oordeel zouden nopen. De rechtbank twijfelde wel of SOMI de belangen van de achterban voldoende waarborgt. Ter zitting bleek onder meer dat de financiering niet alleen voor de procedure tegen X was bestemd, maar ook voor de andere procedures van SOMI in Nederland en de EU. De rechtbank wenste van SOMI nadere informatie over zo-wel de omvang van de financiële middelen als de mate van zeggenschap over de collec-tieve actie ten opzichte van de financiers.

Hoge Raad 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1198
Rechtbank Amsterdam 27 mei 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:6440

Collectieve actie van Stichting Elco Foundation tegen Rabobank en andere banken

Feitelijke instanties

Stichting Elco Foundation (de Stichting) verwijt een aantal banken onrechtmatig rente-benchmarks te hebben beïnvloed, waarbij zij onder meer in strijd met het mededingingsrecht zouden hebben gehandeld (artikel 101 VWEU). Op de collectieve actie is artikel 3:305a BW (oud) van toepassing. De Stichting vordert daarom geen schadevergoeding, maar enkel verklaringen voor recht. De Rechtbank Amsterdam had de Stichting niet-ontvankelijk verklaard, omdat niet was gebleken dat met de collectieve actie een effectieve en/of efficiënte rechtsbescherming kon worden bereikt. De verklaringen voor recht zagen namelijk op de onrechtmatigheid van manipulaties van rentebenchmarks in het algemeen, zodat de vraag of jegens de leden van de achterban onrechtmatig is gehandeld alsnog steeds individueel zou moeten worden beantwoord. In hoger beroep vernietigde het Hof Amsterdam het vonnis, en achtte de Stichting grotendeels wel ontvankelijk.

In deze procedure spelen ook vragen van internationale bevoegdheid op grond van artikel 8 punt 1 Brussel I-bis (nauwe band tussen de vorderingen) en overeenkomstig artikel 6 punt 1 EVEX II en artikel 7 lid 1 Rv. De rechtbank en het hof hadden zich ten aanzien van enkele vorderingen onbevoegd verklaard.
Zowel de Stichting als de banken hebben cassatieberoep ingesteld.

Hoge Raad over internationale bevoegdheid

Op het cassatieberoep van de Stichting oordeelde de Hoge Raad dat voor het aannemen van ‘eenzelfde situatie rechtens’ in de zin van artikel 8 punt 1 Brussel I-bis niet is vereist dat op de vorderingen tegen de verschillende verweerders (vrijwel) hetzelfde materiële recht van toepassing is of dat zij op dezelfde rechtsgrondslag berusten. Door te oordelen dat ten aanzien van de vordering gebaseerd op groepsaansprakelijkheid van eenzelfde situatie rechtens geen sprake was, omdat niet aannemelijk was dat de vorderingen worden beheerst door (in hoofdzaak) dezelfde of vergelijkbare materiële rechtsnormen, heeft het hof deze maatstaf niet miskend.
De Hoge Raad oordeelde daarnaast dat de rechter bij de beoordeling of sprake is van ‘eenzelfde situatie rechtens’ toetst aan alle relevante gegevens van de zaak, waaronder de stellingen van partijen. Hij mag daarbij volstaan met een beoordeling of aannemelijk is welk recht van toepassing is op de vorderingen en wat het buitenlandse recht inhoudt.

Op het cassatieberoep van de banken oordeelde de Hoge Raad — in lijn met HvJEU 16 april 2026, ECLI:EU:C:2026:293 — dat voorzienbaarheid bij de toepassing van artikel 8 punt 1 Brussel I-bis geen zelfstandig criterium is, maar een algemeen beginsel dat in aanmerking moet worden genomen bij de toepassing van deze bepaling. Aan dat beginsel wordt met name voldaan als de situaties waarin sprake is van ‘een zo nauwe band’ voor een verweerder in het algemeen voorzienbaar zijn. Het hof had niet onjuist geoordeeld dat het voor deelnemers aan het JPY LIBOR-panel voorzienbaar moet zijn geweest dat zij in rechte zouden kunnen worden betrokken voor het gerecht in de woonplaats van een (andere) panelbank.
De HR oordeelde vervolgens dat de verschillende juridische insteek van de vorderingen tegen verschillende verweerders niet in de weg staat aan het oordeel dat sprake is van ‘eenzelfde situatie rechtens’, omdat voor de beoordeling van deze vorderingen (eerst) zal moeten worden beoordeeld of sprake is van een inbreuk op artikel 101 VWEU.

Hoge Raad over gelijksoortigheid

De HR oordeelde op het cassatieberoep van de banken ook dat een vordering tot een verklaring voor recht over onrechtmatig handelen — zonder in te gaan op de bijzonderheden van individuele gevallen — kan bijdragen aan een efficiënte en effectieve rechtsbescherming zoals beoogd door artikel 3:305a (oud) BW. Een dergelijk algemeen onrecht-matigheidsoordeel kan immers in vervolgprocedures tot uitgangspunt worden genomen. Dat op de vorderingen mogelijk verschillende rechtsstelsels van toepassing zijn, staat niet aan bundeling van de belangen in de weg.

Vervolg van de procedure; uitzondering op het terugverwijzingsverbod

De Hoge Raad verwierp zowel het cassatieberoep van de Stichting als de cassatieberoepen van de banken. Dit betekent dat de zaak verder zal worden behandeld door het Hof Amsterdam, maar dit had de zaak al terugverwezen naar de Rechtbank Amsterdam. De Hoge Raad heeft op het cassatieberoep van de Stichting beslist dat het Hof Amsterdam dit mocht doen. De uitzondering op het terugwijzingsverbod die geldt bij WAMCA-procedures (HR 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1198), is ook van toepassing bij collectieve acties op de voet van art. 3:305a BW (oud).

Hoge Raad 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1196
Hoge Raad 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1197