Uitleg van een verplichtstellingsbesluit: de ondergrens van de werkingssfeer
Civiel
Het verplichtstellingsbesluit voor deelneming in het MITT bedrijfstakpensioenfonds (“MITT verplichtstellingsbesluit”) voorziet niet met zoveel woorden in een hoofdzaakcriterium of een ondergrens voor de omvang van de activiteiten die bepalend zijn voor de werkingssfeer van de verplichtstelling. De HR oordeelt dat dit er niet aan in de weg staat dat het verplichtstellingsbesluit met toepassing van de cao-norm zo wordt uitgelegd dat wel enige ondergrens bestaat ten aanzien van de omvang van de omschreven activiteiten voordat een werkgever onder de werkingssfeer valt. Daarvoor bestaat volgens de HR aanleiding, gelet op de onaannemelijkheid van de rechtsgevolgen van een uitleg die zou meebrengen dat geen enkele ondergrens geldt. Dit zou er immers toe leiden dat ondernemingen die vrijwel uitsluitend activiteiten verrichten die niets te maken hebben met de bedrijfstak in kwestie, toch worden aangemerkt als werkgevers en binnen de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit vallen. De HR concludeert dat het MITT verplichtstellingsbesluit zo moet worden uitgelegd dat niet als werkgever kan worden aangemerkt een onderneming die in verhouding tot haar totale activiteiten, omzet, loonsom en/of arbeidsuren slechts op verwaarloosbare schaal activiteiten verricht zoals omschreven in de werkingssfeerbepaling.
Mededelingsplicht financiële instelling bij aanbieden rentederivaten
Civiel
Deze zaak draaide om de vraag of een aanbieder van een rentederivaat gehouden is om verwachtingen over de renteontwikkeling mede te delen. De HR herhaalt dat aan de mededelingsplicht ter voorkoming van dwaling is voldaan, indien in algemene productinformatie inlichtingen zijn gegeven waaruit de wederpartij die zich redelijke inspanning getroost, tijdig inzicht heeft kunnen krijgen in de wezenlijke kenmerken en risico’s van het derivaat. Het gaat daarbij om inlichtingen die de wezenlijke kenmerken en risico’s van het product betreffen, zoals het risico dat het rentederivaat een (aanzienlijke) negatieve waarde kan ontwikkelen die bij tussentijdse beëindiging moet worden vergoed. De HR voegt hier in dit arrest aan toe dat deze mededelingsplicht niet inhoudt dat een financiële instelling die een rentederivaat aanbiedt, zonder meer mededeling moet doen van binnen de financiële instelling bestaande verwachtingen over de ontwikkeling van de rente. Dit neemt evenwel niet weg dat zich in een concreet geval omstandigheden kunnen voordoen die meebrengen dat de financiële instelling daartoe wel gehouden is.