Wettelijke rente en wettelijke verhoging over te laat betaald loon na faillissement
Civiel
Werknemers van een failliet bedrijf hebben hun loon over de periode van faillissement niet op tijd gekregen. Het UWV heeft de werknemers op grond van de loongarantieregeling loonvervangende uitkeringen betaald, maar later dan het loon had moeten worden betaald. De HR oordeelt naar aanleiding van prejudiciële vragen als volgt. Er is wettelijke rente verschuldigd over loon dat niet tijdig is betaald en waarvoor ook geen loonvervangende uitkering is ontvangen. De boedel is in beginsel ook de wettelijke verhoging verschuldigd over te laat betaald loon na faillietverklaring, ongeacht of aanspraak bestaat op een UWV-uitkering en ongeacht onzekerheid over de beschikbare middelen. Zowel de wettelijke rente als de wettelijke verhoging zijn boedelschuld. Aan de wettelijke verhoging is, net als aan loon, een voorrecht verbonden, maar aan de rentevordering niet. De rechter kan de wettelijke verhoging matigen, waarbij faillissement een matigingsgrond kan zijn. Een behoorlijke taakuitoefening kan meebrengen dat de curator de werknemers dient te wijzen op hun aanspraak op de boedel
Afslagenbeleid zorgverzekeraar valt buiten bereik art. 34 VWEU
Civiel
Zorgverzekeraar Zilveren Kruis vergoedt een bepaald geneesmiddel volledig aan een zorgaanbieder als deze het inkoopt bij de fabrikant van het geneesmiddel, en slechts gedeeltelijk als de zorgaanbieder het geneesmiddel inkoopt bij een paralleldistributeur. De HR oordeelt dat dit ‘afslagenbeleid’ van Zilveren Kruis niet als een aan de Staat toe te rekenen overheidsmaatregel kan worden aangemerkt, maar onderdeel is van een privaatrechtelijke inkooprelatie van Zilveren Kruis met zorgaanbieders. Hierom valt het afslagenbeleid buiten het bereik van het immers tot lidstaten gerichte art. 34 VWEU (het verbod van kwantitatieve invoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking).
Stuiting door maandelijks inning executoriaal loonbeslag en verjaring vordering met hypotheekrecht
Civiel
De HR oordeelt dat periodieke inning na loonbeslag een daad van rechtsvervolging is in de zin van art. 3:316 lid 1 BW. De maandelijkse inning uit hoofde van een executoriaal loonbeslag is volgens de HR daarom een (maandelijks terugkerende) stuitingshandeling.
Als een hypotheekrecht teniet is gegaan, bestaat volgens de HR niet langer grond voor de verjaringstermijnverlenging van art. 3:323 lid 3 BW. Voor de restschuld geldt dan niet art. 3:323 lid 3 BW, maar art. 3:307 lid 1 BW. De verjaringstermijn van art. 3:307 lid 1 BW loopt in dat geval vanaf de dag na het tenietgaan van het hypotheekrecht.
Verkorting 30%-regeling niet in strijd met eigendomsrecht en discriminatieverbod
Tax
Belanghebbende ontving in 2012 een 30%-beschikking met een looptijd van tien jaar tot 30 november 2021. Door een wetswijziging per 1 januari 2019 wordt de looptijd verkort tot 31 december 2020. De belanghebbende maakte bezwaar tegen de inhouding van loonheffing over februari 2021 zonder toepassing van de 30%-regeling. De HR bevestigde het oordeel van het hof dat de rechter formele wetten niet mag toetsen aan algemene rechtsbeginselen. Volgens de HR valt de wetswijziging ook binnen de ruime beoordelingsmarge van de wetgever en is geen sprake is van bijzondere omstandigheden die de wetgever niet heeft afgewogen. Het overgangsrecht is daarom ook niet in strijd met het eigendomsrecht en discriminatieverbod. De HR verklaart het cassatieberoep ongegrond.