Geen nieuwe uitzondering op verrekeningsverbod ex art. 54 Fw
Civiel
Als het faillissement van een rekeninghouder in zicht is en de bank niet meer te goeder trouw is in de zin van art. 54 Fw, mag de bank op de bankrekening van de rekeninghouder binnengekomen betalingen niet meer verrekenen met haar vorderingen op de rekeninghouder. Volgens de HR is er geen aanleiding om op deze regel een uitzondering te maken voor vorderingen van de bank die ontstaan door uitgaande betalingen die mogelijk zijn gemaakt door de kredietruimte die is ontstaan door binnengekomen betalingen.
AVG: enkel opslaan pasfoto is geen biometrische verwerking; HR kondigt prejudiciële vragen aan
Civiel
Art. 9 lid 1 AVG verbiedt in beginsel verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens, waaronder de verwerking van biometrische gegevens met het oog op de unieke identificatie van een persoon. Art. 4, aanhef en onder 14, AVG moet blijkens punt 51 van de considerans van de AVG aldus worden uitgelegd dat de verwerking van een foto met een gezichtsafbeelding van een persoon slechts een verwerking van biometrische gegevens vormt als de foto voorwerp is van een gespecificeerde technische verwerking die strekt tot eenduidige identificatie van die natuurlijke persoon. Het (enkele) vastleggen of opslaan van een foto met een gezichtsafbeelding impliceert daarom geen verwerking van biometrische gegevens.
Het voorgaande is volgens de HR zo duidelijk dat hierover geen prejudiciële vragen hoeven te worden gesteld aan het HvJ EU. Dat ligt anders ten aanzien van de vraag of meldingsplichtige instellingen in de zin van de Wwft op grond van art. 40 lid 1, aanhef en onder a Wwft verplicht zijn een kopie van het identiteitsdocument, inclusief pasfoto, te bewaren. Ook is niet duidelijk hoe een dergelijke verplichting zich zou verhouden tot art. 6 lid 3 en art. 5 lid 1, aanhef en onder c AVG, waarin onder meer het beginsel van minimale gegevensverwerking is vervat. Tot slot is niet duidelijk of een foto waarop een persoon herkenbaar is afgebeeld, kan worden beschouwd als persoonsgegevens waaruit ras of etnische afkomst blijken in de zin van art. 9 lid 1 AVG. Daarom kondigt de HR aan hierover prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU.
Schending hoor en wederhoor bij op zitting getoonde camerabeelden
Civiel
Het hof baseerde zijn oordeel over een ontslag op staande voet mede op camerabeelden. De werknemer had deze beelden wegens technische redenen niet voorafgaand aan de zitting in hoger beroep kunnen bekijken, terwijl duidelijk was dat hij dat wel wilde. Volgens de HR had het hof ter waarborging van de beginselen van hoor en wederhoor (art. 19 lid 1 Rv en art. 6 EVRM) en equality of arms (art. 6 EVRM) maatregelen moeten nemen om adequate kennisneming van de camerabeelden door de werknemer mogelijk te maken en hem in staat te stellen zich daarover uit te laten.
Geen passivering van voorwaardelijke betalingsverplichting als schuld of voorziening
Fiscaal
Belanghebbende nam een betalingsverplichting van haar kleindochtermaatschappij over in het kader van een fusieovereenkomst tussen haar kleindochtermaatschappij en een derde partij. Belanghebbende wilde deze betalingsverplichting op haar fiscale balans als schuld of als voorziening opnemen en oprentingslasten en koersverliezen aftrekken. Het hof weigerde dit, omdat de betalingsverplichting nog afhankelijk was van opschortende voorwaarden en omdat geen voorziening kan worden gevormd voor niet-aftrekbare kosten. De HR verwerpt het cassatieberoep van belanghebbende en oordeelt dat een betalingsverplichting slechts fiscaal als schuld in aanmerking mag worden genomen als deze juridisch afdwingbaar is, hetgeen pas het geval is na vervulling van de opschortende voorwaarden. Volgens de HR kan belanghebbende ook geen voorziening vormen, omdat de latere betaling een informele kapitaalstorting vormt die niet aftrekbaar is.
Proportionaliteit van strafrechtelijk beslag
Straf
Een verdachte waartegen een strafrechtelijk onderzoek loopt, beklaagt zich tegen de omvang van het beslag dat het OM met het oog op een latere ontnemingsprocedure heeft gelegd. De rechtbank verklaart het klaagschrift ongegrond, omdat uit de informatie die de verdachte en het OM hebben verstrekt niet blijkt dat sprake is van ‘overbeslag’ zoals gesteld door de verdachte. De HR oordeelt dat als een verdachte zich beklaagt over de proportionaliteit van beslag, de beklagrechter gehouden kan zijn om blijk te geven van een onderzoek naar die proportionaliteit. Wanneer de beklagrechter daartoe verplicht is, laat zich niet in algemene zin beantwoorden. Dit is onder meer afhankelijk van de onderbouwing en de indringendheid van de argumenten van de verdachte, het tijdsverloop sinds de beslaglegging en de termijn waarbinnen een beslissing in de straf- of ontnemingszaak wordt verwacht. Als de beklagrechter over onvoldoende gegevens beschikt om dat te beoordelen, kan die op grond van art. 23 Sv een bevel geven aan het OM om stukken te overleggen. Zo nodig kan de beklagrechter de behandeling van het klaagschrift aanhouden. In dit geval heeft de rechtbank dit kader miskend door het klaagschrift ongegrond te verklaren.