HR voornemens prejudiciële vraag te stellen over hoofdelijke aansprakelijkheid bij inbreuk kartelverbod
Civiel
De HR is voornemens een prejudiciële vraag te stellen aan het HvJ EU in de follow-on-procedures volgend op een inbreuk op het kartelverbod in de spanstaalsector. Uitgangspunt onder het Unierecht is dat de schadevergoedingsplicht bij een inbreuk op het kartelverbod van art. 101 VWEU rust op de onderneming. In deze zaak werden de ondernemingen gevormd door verschillende juridische entiteiten, die niet alle de gehele periode van de inbreuk deel uitmaakten van de onderneming. Onder verwijzing naar Skanska, Sumal en GEA Group overweegt de HR dat er redelijke twijfel mogelijk is over het antwoord op de vraag of de hoofdelijke aansprakelijkheid van een entiteit is beperkt als die slechts een gedeelte van de periode waarin de inbreuk plaatsvond deel uitmaakte van de onderneming. De HR zal daarom het HvJ EU vragen of het Unierecht (in het bijzonder het ondernemingsbegrip) meebrengt dat de hoofdelijke aansprakelijkheid (jegens een slachtoffer) van een juridische entiteit die slechts gedurende een deel van de periode waarin een onderneming heeft deelgenomen aan een inbreuk op het kartelverbod van art. 101 VWEU tot die onderneming heeft behoord, zich uitstrekt tot de gehele periode waarin de onderneming aan de inbreuk heeft deelgenomen, of dat deze hoofdelijke aansprakelijkheid op enigerlei wijze is beperkt.
Maatstaf voor strafrechtelijke persoonsgegevens (art. 10 AVG)
Civiel
Het begrip ‘strafbaar feit’ in art. 10 AVG moet in de EU autonoom en uniform worden uitgelegd. In Latvijas Republikas Saeima heeft het HvJ EU drie criteria gegeven voor de beoordeling of sprake is van een strafbaar feit, waarvan het eerste criterium ‘de juridische kwalificatie van het strafbare feit naar nationaal recht’ betreft. De HR oordeelt in deze zaak dat voor de beoordeling van dat criterium de maatstaf geldt die de HR eerder in een beschikking in 2009 had gegeven voor strafrechtelijke persoonsgegevens in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens: het moet gaan om zodanige concrete feiten en omstandigheden dat zij een als strafbaar feit te kwalificeren bewezenverklaring – in de zin van art. 350 Sv – kunnen dragen en verder geldt als maatstaf of de vastgestelde gedragingen een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld opleveren, in die zin dat de te verwerken strafrechtelijke persoonsgegevens in voldoende mate vaststaan.
Geen concernvrijstelling: economisch belang ligt bij de fondsparticipanten
Fiscaal
Belanghebbende verkrijgt bij de liquidatie van een vastgoedfonds alle aandelen in een Nederlandse vastgoedvennootschap van een zustervennootschap. De aandelen in de vastgoedvennootschap worden gehouden door de fondsbeheerder, terwijl beleggers economisch gerechtigd zijn tot die vennootschap. Het hof oordeelt dat de concernvrijstelling voor de overdrachtsbelasting van toepassing is, omdat bij één soort aandelen het juridische en het economische belang samenvallen. De HR vernietigt dit oordeel. Volgens de HR is voor een concernrelatie alleen het economische belang beslissend, en niet wie de juridische eigendom van de aandelen heeft. Omdat de beleggers in betekenende mate het risico van waardeverandering dragen en de opbrengsten genieten, is geen sprake van een concern en is de concernvrijstelling niet van toepassing.