Met inwerkingtreding van CRD VI worden de vereisten geharmoniseerd waaraan banken uit derde landen (niet-EU-banken) moeten voldoen om de activiteiten genoemd in bijlage I, punten 1,2 en 6 van Richtlijn 2013/36/EU (de “Kernbankdiensten”) te mogen verrichten aan vennootschappen gevestigd in de EU. De belangrijkste wijziging is dat niet-EU-banken, indien ze in een EU-lidstaat bancaire diensten willen (blijven) verrichten, in die lidstaat ten minste een bijkantoor dienen te vestigen en bijbehorende vergunning moeten verkrijgen.
In de Nederlandse wetgeving wordt dit vereiste voornamelijk geïmplementeerd door middel van het voorgestelde artikel 2:20 Wft. Waar het huidige artikel 2:20 Wft alleen ziet op activiteiten vanuit een Nederlands bijkantoor, verbiedt het nieuwe artikel expliciet het verrichten van Kernbankdiensten in Nederland zonder bijkantoor en vergunning.
Daarnaast wordt CRD VI op EU-niveau verder uitgewerkt via technische standaarden van de European Banking Authority (EBA). Zo heeft de EBA in maart 2026 definitieve Implementing Technical Standards (ITS) gepubliceerd voor de geharmoniseerde rapportage door bijkantoren van derde-land banken.
Wijzigingen aan de huidige regelgeving
Op dit moment mogen banken uit een niet-EU-lidstaat ook zonder een in Nederland gevestigd bijkantoor Kernbankdiensten verrichten. Deze diensten bestaan uit het aantrekken van deposito’s en andere opvorderbare gelden, het verstrekken van leningen en het afgeven van garanties.
Onder het nieuwe artikel 2:20 Wft wordt het verboden deze activiteiten in Nederland te verrichten zonder Nederlands bijkantoor en vergunning bij De Nederlandsche Bank (“DNB”). Hoewel in Nederland al een vergelijkbaar verbod bestond, was de zakelijke verlening van de genoemde Kernbankdiensten aan professionele marktpartijen uitgezonderd. Dit is onder de Implementatiewet dus niet meer het geval.
Voor het aantrekken van opvorderbare gelden geldt het verbod voor iedere niet-EU onderneming. Voor het verstrekken van leningen en het afgeven van garanties geldt het verbod alleen voor niet-EU-banken. Dit betreft dus banken die, wanneer zij in Nederland zouden zijn gevestigd, onder de Europese definitie van kredietinstelling zouden vallen. Investeringsmaatschappijen die voor eigen rekening handelen of financiële instrumenten overnemen kunnen ook onder deze definitie vallen. Een niet-EU financiële onderneming (zijnde geen bank aldaar) die, indien zij in Nederland zou zijn gevestigd ook niet als bank zou kwalificeren, mag wel nog steeds leningen verstrekken aan vennootschappen gevestigd in een EU-lidstaat. Daarnaast zijn collectieve beleggingsinstellingen en verzekeringsondernemingen ook uitgezonderd van het verbod.
Vanwege de geharmoniseerde wetgeving dient een niet-EU-bank in principe in iedere lidstaat waarin de Kernbankdiensten worden verricht een bijkantoor te vestigen en een vergunning aan te vragen. Op basis van de totale activa en risicovolle activiteiten, zoals het aantrekken van retaildeposito’s, wordt onderscheid gemaakt tussen klasse 1- en klasse 2 bijkantoren: klasse 1 geldt als risicovoller en is onderworpen aan zwaardere eisen en strenger toezicht; klasse 2 is de restcategorie.
Er bestaan echter mogelijkheden om de plicht om een bijkantoor te vestigen in iedere afzonderlijke lidstaat te vermijden. Zo kunnen niet-EU-banken in een bepaalde lidstaat een vergunninghoudende EU-bank als dochteronderneming oprichten. Het opzetten van een dergelijke dochtermaatschappij en het aanvragen van een bankvergunning is echter tijdrovend en kostbaar en vereist het opzetten van substantiële organisatie binnen de EU. Een alternatief zou daarom zijn om de diensten te laten verrichten door een EU- of niet-EU-groepsmaatschappij die zelf niet kwalificeert als bank.
Uitzonderingen
De volgende gevallen zijn uitgezonderd van de verplichting om een vergunninghoudend bijkantoor te vestigen:
- Een Nederlandse onderneming die een niet-EU kredietverstrekker ‘exclusief op eigen initiatief’ benadert, zonder dat daaraan communicatie of marketing vooraf is gegaan door of namens de niet-EU-bank (reverse solicitation). Deze uitzondering is zeer streng; dergelijke kredietverstrekkers mogen op geen enkele manier in de EU actief zijn, (indirecte) reclame voeren of op andere wijze contact opnemen met potentiële EU-klanten. Daarnaast dient, ingeval van nieuwe diensten of substantiële wijzigingen in de bestaande diensten, telkens aan de vereisten voor reverse solicitation te worden voldaan.
- Een niet-EU-bank die uitsluitend aan Nederlandse banken diensten verricht (interbancaire dienstverlening);
- Dienstverlening door een onderneming uit een niet-EU-lidstaat aan een onderneming in Nederland uit dezelfde groep (intragroepdienstverlening); en
- Dienstverlening door een onderneming uit een niet-EU-lidstaat direct gerelateerd aan het verrichten van beleggingsdiensten aan Nederlandse klanten, bijvoorbeeld het aantrekken van gelden in verband met het beheren van een portefeuille (MiFID-dienstverlening).
Praktische implicaties
CRD VI verplicht niet-EU-banken om in Nederland een bijkantoor te vestigen en een bijbehorende vergunning aan te vragen als zij hier hun diensten willen verrichten. Dit heeft de volgende praktische implicaties:
- Het aantal kredietverstrekkers dat aan Nederlandse ondernemingen leningen mag verstrekken wordt op korte termijn wellicht kleiner, tenzij huidige niet-EU-banken in Nederland aan het bijkantoorregime gaan voldoen, een dochtervennootschap opzetten, of vanuit een dochteronderneming uit een andere lidstaat via een daartoe strekkend EU-paspoort diensten gaan verrichten.
- Indien wordt gewerkt met een niet-EU-bank dient due diligence zich extra te richten op de nieuwe vereisten van CRD VI.
- Bij het aangaan van nieuwe overeenkomsten dient gelet te worden op contractuele bepalingen waarin gevolgen worden verbonden aan de situatie waarin een kredietverstrekker in een jurisdictie niet de bancaire diensten mag verrichten. Hoewel overeenkomsten gesloten voor 11 juli 2026 niet door het bijkantoorvereiste worden getroffen, zal het verbod wel van toepassing zijn bij een looptijdverandering of schuldvernieuwing.
- Indien niet (op tijd) aan de verplichting wordt voldaan DNB sancties opleggen, bijvoorbeeld een administratieve boete van de 3e categorie. Dergelijke boetes hebben een basisbedrag van EUR 2.500.000 (EUR 5.000.000 ingeval van herhaaldelijke schending) maar kunnen oplopen tot 10% van de laatst vastgestelde netto-jaaromzet, indien dat laatste bedrag hoger is dan het eerdergenoemde basisbedrag.
Tijdlijn
Het wetsvoorstel is op 19 januari 2026 bij de Tweede Kamer ingediend en is thans in parlementaire behandeling. De EU-transpositiedeadline was 10 januari 2026, maar Nederland heeft deze deadline niet gehaald. Het bijkantoorregime zal in principe van toepassing worden vanaf 11 januari 2027. Aangezien CRD VI een richtlijn is zonder rechtstreekse werking, vereist het bijkantoorregime implementatie in de Nederlandse wet alvorens het kan worden gehandhaafd.
Daarnaast geldt vanaf 11 juli 2026 dat nieuw gesloten overeenkomsten inzake Kernbankdiensten geen bescherming meer genieten onder het overgangsrecht: niet-EU-banken die na deze datum overeenkomsten sluiten inzake Kernbankdiensten met EU-klanten, zullen binnen de reikwijdte van het bijkantoorregime vallen. Hoewel deze deadline naar Nederlands recht formeel nog niet van kracht is bij gebreke van implementatiewetgeving, zou het logisch zijn als de wetgever bij inwerkingtreding van de Implementatiewet de datum van 11 juli 2026 als peildatum zal hanteren. Het is dan ook raadzaam om bij het aangaan van nieuwe overeenkomsten inzake Kernbankdiensten reeds rekening te houden met deze datum.
Meer weten over de Implementatiewet kapitaalvereisten 2026 en de richtlijn kapitaalvereisten (CRD VI)? Neem dan contact op met Jeroen Vossenberg en Lisanne Haarman.