Ontruiming in kort geding ondanks aanhangige vordering tot huurvoortzetting
Civiel
Artikel 7:268 lid 2 BW bepaalt dat de achterblijvende samenwoner van een overleden huurder van een woonruimte de huurovereenkomst gedurende zes maanden na het overlijden van de huurder voortzet. Het gaat daarbij om een samenwoner die geen medehuurder is, maar wel zijn hoofdverblijf in de woning heeft en met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gehad. Vordert de samenwoner binnen de termijn van zes maanden voortzetting van de huur bij de rechter, dan loopt de huurovereenkomst in ieder geval door totdat op die vordering onherroepelijk is beslist.
De HR oordeelt dat deze bepaling er niet aan in de weg staat dat de kortgedingrechter een vordering tot ontruiming tegen die samenwoner toewijst, ook al loopt er nog een bodemprocedure over de voortzetting van de huur waarin nog niet onherroepelijk is beslist. Voorwaarde daarvoor is dat de kortgedingrechter evident acht dat de vordering tot voortzetting in de bodemprocedure zal worden afgewezen.
Verdediging niet verantwoordelijk voor tijdig achterhalen adresgegevens getuige
Straf
In een ontnemingszaak wijst het hof een verzoek van de verdediging om een getuige te horen toe, onder de voorwaarde dat de verdediging de adresgegevens van de getuige binnen een maand aanlevert. Nadat de verdediging die gegevens niet weet te achterhalen, wijst het hof het verzoek alsnog af omdat onaannemelijk is dat de getuige binnen aanvaardbare tijd kan worden gehoord. De HR oordeelt dat deze afwijzing ontoereikend is gemotiveerd. Uit de enkele omstandigheid dat de verdediging de adresgegevens niet heeft verstrekt, volgt niet dat het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord. Voor het oordeel hierover is onder meer van belang of de verdediging over een reële mogelijkheid beschikte om de verblijfplaats van de getuige te achterhalen, en daarnaast of deze informatie mogelijk door inspanningen van de justitiële autoriteiten zou kunnen worden achterhaald. Tot slot mag de last tot het achterhalen van de verblijfplaats van getuigen niet eenzijdig op de verdediging worden gelegd.