In het artikel bespreekt Klaas eerst de kern van de uitspraak. Daarbij komt onder meer de nieuw door de Afdeling geïntroduceerde vergewisplicht voor de gemeenteraad aan de orde bij het voldoen aan het additionaliteitsvereiste. Ook wordt de door de Afdeling gekozen invulling van het planbegrip besproken en vergeleken met eerdere Afdelingsjurisprudentie over ruimtelijke plannen, waaronder de Bergeijk‑uitspraak. In dat verband signaleert Klaas een spanningsveld met de rechtspraak over ‘één‑en‑hetzelfde project’: waar bij projecten het volledige gewijzigde project moet worden beoordeeld, maakt de Afdeling bij plannen een andere knip.
Vervolgens gaat het artikel in op de vraag hoe deze lijn van de Afdeling zich verhoudt tot het Unierechtelijke planbegrip. Daarbij onderscheidt Klaas twee interpretatiepaden: een benadering via kaderstellende plandelen voor toekomstige activiteiten en een analogie met de rechtspraak over ‘één‑en‑hetzelfde project’.
Daarna bespreekt Klaas de praktische gevolgen van de uitspraak. Daarbij worden verschillende knelpunten gesignaleerd voor consoliderende en thematische (deel)plannen. Ter oplossing van deze knelpunten bevat het artikel twee typen voorbeeldplanregels. De eerste betreft een vergaande variant waarin niet‑gerealiseerde bouw‑ en gebruiksmogelijkheden worden wegbestemd. De tweede betreft een ‘geen‑toename’-planregel, die borgt dat het plan op zichzelf geen toename van stikstofdepositie toestaat, zodat geen passende beoordeling op planniveau vereist is.
Tot slot blikt het artikel vooruit op de Omgevingswet. Centraal staat de vraag hoe een meer globale plantoets, zoals bepleit in de wetsgeschiedenis en de Commissie‑richtsnoeren, zich verhoudt tot het door de Afdeling aangescherpte beoordelingskader, en of binnen een dergelijke globalere toets de additionaliteitstoets voor de niet‑gemeentelijke planwetgever op een hoger abstractieniveau kan worden belegd.