Deze vonnissen zijn uitzonderlijk binnen de kartelschadepraktijk. De kartelschadevorderingen van eisers aan de koperskant waren uniek. De rechtbank hanteerde een op feiten gebaseerde benadering door het uitgebreide economische bewijsmateriaal dat was ingediend zorgvuldig te beoordelen en concludeerde, na de hoorzittingen ten gronde in eerste aanleg, dat het onaannemelijk is dat de door de Europese Commissie vastgestelde inbreuk enige schade heeft veroorzaakt aan deze grote petrochemische bedrijven. De Europese Commissie had vastgesteld dat de ethyleenafnemers Celanese, Clariant, Vestolit en Westlake gevoelige commerciële en prijsgerelateerde informatie hadden uitgewisseld met betrekking tot de aankoop van ethyleen in België, Frankrijk, Duitsland en Nederland, met als doel neerwaartse druk uit te oefenen op de maandelijkse contractprijs (de „MCP“), een referentieprijs die vaak wordt gebruikt als onderdeel van de prijsformule voor ethyleen. De eisers voerden aan dat de inbreuk had geleid tot een lagere MCP en bijgevolg tot lagere ethyleenprijzen. De Europese Commissie heeft de vermeende gevolgen van het gedrag echter niet beoordeeld, noch heeft zij onderzocht of de partijen er uiteindelijk in waren geslaagd de MCP te verlagen. Om deze redenen heeft de rechtbank kritisch onderzocht of er enig effect uit de feiten of de economische analyses kon voortvloeien en concludeerde dat schade als gevolg van de inbreuk niet aannemelijk was.
De rechtbank vond het door de eisers aangevoerde economische bewijs en de door hen aangedragen schadetheorieën niet overtuigend. De MCP werd vastgesteld via een ingewikkeld proces waarbij ook de instemming van ten minste twee ethyleenleveranciers benodigd was. Bovendien kon de MCP worden vastgesteld zonder enige betrokkenheid van de vier gedaagden, wat op zich het onwaarschijnlijk maakte dat de inbreuk enig effect had gehad. De rechtbank achtte het onwaarschijnlijk dat grote petrochemische bedrijven zoals de eisers een vermeende verlaging van de MCP niet zouden hebben opgemerkt, aangezien zij specialisten in dienst hebben die de marktontwikkelingen nauwlettend volgen. Ook bleef door de eisers onbetwist dat hun marges tijdens de inbreukperiode juist aanzienlijk waren gestegen, terwijl men bij schade juist een tegenovergestelde marge-ontwikkeling zou verwachten.
Momenteel zijn in Nederland nog vijf procedures van vergelijkbare omvang aanhangig en in Duitsland zes.
Het Houthoff-team, onder leiding van Rick Cornelissen, trad in deze procedures op voor gedaagden Orbia en Vestolit, en bestond verder uit Paul Sluijter en Davide Ballestrero. Het Houthoff-team werkte nauw samen met het team van White & Case, onder leiding van Mark Gidley (Washington DC) en Mark Powell (Brussel), alsmede Vestolits Duitse advocaat Johann Brück en economen van Analysis Group (Chris Feige en Arjun Dasrupta), Oxera (Phlipp Schliffke en Nicole Rosenboom) en Case Associates (Cento Veljanovski en Carine Lange). Wij danken dit resultaat aan de grote toewijding en actieve betrokkenheid van de interne juridische afdeling van Orbia en Vestolit, onder leiding van Sheldon Hirt, Jorge Pruneda en Andrea DeShazo.
Deze procedures hebben uitgebreide aandacht gekregen in de Nederlandse en internationale media, waaronder het persbericht van de Rechtbank Amsterdam, Het Financieele Dagblad en de Global Competition Review.