Cassatiekroniek Arbeidsrecht 2025

31 augustus 2026

In haar jaarlijkse Cassatiekroniek Arbeidsrecht bespreekt Naomi Dempsey de arbeidsrechtelijke uitspraken die de Hoge Raad in 2025 heeft gedaan. Met 27 uitspraken lag de productie aanzienlijk lager dan de circa 40 in voorgaande jaren. Het succespercentage bleef beperkt: van de 24 reguliere cassatieberoepen leidden er slechts zes tot vernietiging (25%). Werknemers stelden twee keer zo vaak cassatieberoep in als werkgevers, maar ook hun succespercentage was bescheiden (31%).

Hieronder volgt een overzicht van de meest belangwekkende uitspraken:

  • Kwalificatie arbeidsovereenkomst – De Hoge Raad hield vast aan het Deliveroo-kader en weigerde een rangorde in de gezichtspunten aan te brengen. In de Uber-zaak bevestigde hij dat persoonlijk ondernemerschap ertoe kan leiden dat bij gelijke werkzaamheden de ene werkende als werknemer en de andere als opdrachtnemer wordt gekwalificeerd. In het UMCG-arrest werden beurspromovendi als werknemers gekwalificeerd, en in de Helpling-zaak staat vast dat de schoonmakers in een arbeidsovereenkomst met Helpling werkzaam waren.
  • I-grond en transitievergoeding – In het Profoto-arrest verduidelijkte de Hoge Raad dat ook bij ontbinding op de i-grond moet worden getoetst of herplaatsing mogelijk is, dat de rechter ambtshalve een aanvullende i-vergoeding mag toekennen, en dat de verzoekende partij gelegenheid moet krijgen het verzoek in te trekken. In een tweede uitspraak oordeelde hij dat een eerder dienstverband dat door de werknemer zelf was opgezegd niet meetelt bij de berekening van de transitievergoeding.
  • Rechtsvermoeden arbeidsomvang – Het afwijzen van een aanbod voor een vaste arbeidsomvang staat een succesvol beroep op het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW met terugwerkende kracht niet in de weg. Beide regelingen bestaan naast elkaar.
  • Langdurige inleen – Bij 13 jaar onafgebroken inleen via opvolgende uitzendwerkgevers moet van misbruik worden uitgegaan wanneer de uitzendduur langer is dan wat redelijkerwijs als “tijdelijk” kan worden aangemerkt en daarvoor geen objectieve verklaring bestaat.
  • Discriminatie bij samenloop verlof en vrije dagen – Vrije dagen die in wezen niet van vakantiedagen verschillen, moeten bij samenloop met zwangerschaps- en bevallingsverlof worden gecompenseerd op grond van het verbod op discriminatie wegens geslacht. De reikwijdte gaat verder dan de onderwijssector.
  • Studiekostenbeding – De Hoge Raad oordeelde dat scholing die kwalificeert als verplichte scholing in de zin van artikel 7:611a BW kosteloos moet worden aangeboden. Dit volgt uit een richtlijnconforme uitleg in het licht van de Richtlijn transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden, ook al heeft de wetgever deze consequentie bij implementatie wellicht niet duidelijk voor ogen gehad. Een studiekostenbeding voor dergelijke scholing is nietig en afwijkende maatwerkafspraken zijn niet toegestaan.
  • All-in loon en klachtplicht – Een all-in loon inclusief vakantiegeld volstaat niet wanneer het gemis aan omzet tijdens vakantie niet wordt gecompenseerd, omdat werknemers daardoor feitelijk worden ontmoedigd vakantie op te nemen. Het niet volledig doorbetalen van loon tijdens vakantie is ondeugdelijke nakoming, waardoor de klachtplicht van toepassing is.
  • Pensioen – In de Booking.com-zaak oordeelde de Hoge Raad dat premievorderingen van bedrijfstakpensioenfondsen uiterlijk zes maanden na afloop van het kalenderjaar opeisbaar worden, waarna de verjaringstermijn van artikel 3:308 BW gaat lopen.
  • Bewijsrecht – De Hoge Raad beperkte het functioneel verschoningsrecht van de bedrijfsarts en verduidelijkte dat onder de Wet bescherming klokkenluiders de werkgever het tegendeel moet bewijzen, en dus niet kan volstaan met het ontzenuwen van het bewijsvermoeden van benadeling.

De kroniek is een waardevolle bron van kennis en inzicht voor iedereen die zich met het arbeidsrecht in cassatie en daarbuiten bezighoudt.

Lees hier het artikel