Stapelen niet toegestaan: het monistisch bestuursmodel en de raad van toezicht

26 augustus 2026

De Wet bestuur en toezicht rechtspersonen (Wbtr) heeft sinds 1 juli 2021 belangrijke wijzigingen doorgevoerd voor het bestuur en toezicht bij onder meer stichtingen. Wij bespreken de achtergrond en implicaties van deze wet (en aanstaande ontwikkelingen) met betrekking tot de keuze voor een monistisch bestuursmodel of een RvC-/RvT-model.

Achtergrond

Een van de kernpunten is de wettelijke grondslag voor en taakomschrijving van de raad van commissarissen (RvC) bij een stichting of vereniging die ook raad van toezicht (RvT) genoemd kan worden. In dat verband is ook de verhouding tussen het monistisch bestuursmodel en het RvC-/RvT-model duidelijk gemaakt. De keuze voor een monistisch bestuur werkt exclusief: een rechtspersoon die statutair een monistisch bestuur kent, kan dit niet combineren met een RvC of RvT. Dit exclusieve karakter is voor de stichting vastgelegd in artikel 2:292a lid 1 BW, dat luidt: “Tenzij uitvoering is gegeven aan artikel 291a lid 1, kan bij de statuten worden bepaald dat er een raad van commissarissen zal zijn.”
Artikel 2:292a lid 1 BW verwijst dus naar artikel 2:291a lid 1 BW, de bepaling over het monistisch bestuursmodel bij de stichting. Artikel 2:292a lid 1 BW is op 1 juli 2021 in werking getreden, maar artikel 2:291a BW is dat nog niet.

Waarom is artikel 2:291a BW nog niet in werking getreden?

De inwerkingtreding van de bepalingen over het monistisch bestuursmodel voor verenigingen en stichtingen is op 11 juni 2021 (Stb. 2021, nr. 284) uitgesteld tot een nader bij koninklijk besluit te bepalen datum. De daarvoor opgegeven reden is dat de Kamer van Koophandel nog niet beschikt over de technische mogelijkheid om in het handelsregister aan te geven of een bestuurder uitvoerend of niet-uitvoerend is. Zolang die technische aanpas-sing niet is gerealiseerd, blijft de wettelijke verankering van het monistisch bestuursmodel bij stichtingen en verenigingen in de wacht staan. Momenteel is nog geen koninklijk besluit gepubliceerd waarin de inwerkingtre-ding van artikel 2:291a BW wordt vastgesteld. De verwachting is dat dit artikel alsnog in werking treedt zodra de Kamer van Koophandel de benodigde inschrijfformulieren en systemen op orde heeft.

Monistisch bestuur in de praktijk al mogelijk

Het feit dat artikel 2:291a BW nog niet in werking is getreden, doet niet af aan de mogelijkheid om in de praktijk al met een monistisch bestuursmodel te werken. Verschillende stichtingen en verenigingen hanteren een derge-lijke structuur al geruime tijd; denk bijvoorbeeld aan pensioenfondsen. De memorie van toelichting bij de Wbtr erkent dit uitdrukkelijk: verschillende verenigingen en stichtingen werkten in de praktijk al met een monistisch bestuursmodel voordat de wet werd ingediend. Het ontbreken van een specifieke wettelijke grondslag leidt weliswaar tot enige rechtsonzekerheid, maar staat het gebruik ervan niet in de weg.

Stapelen van toezichtmodellen niet toegestaan

Wat de Wbtr sinds 1 juli 2021 wel uitdrukkelijk heeft geregeld, is dat het stapelen van toezichtmodellen niet is toegestaan. In de toelichting bij het wetsvoorstel staat: “De mogelijkheid tot het instellen van een raad van commissarissen bestaat niet wanneer de rechtspersoon een monistisch bestuursmodel hanteert.”
Dit verbod sluit aan bij het systeem van de wet: bij een monistisch bestuur houden de niet-uitvoerende be-stuurders toezicht op de uitvoerende bestuurders. Een afzonderlijke raad van commissarissen of raad van toe-zicht zou daarmee een dubbeling opleveren.

Specifiek toezichthoudend orgaan wel toegestaan

Uit de wetsgeschiedenis kan ook worden afgeleid dat het bij een stichting wel mogelijk is om al dan niet naast een monistisch bestuur een orgaan dat niet kwalificeert als RvC/RvT in te stellen, bijvoorbeeld een orgaan dat uitsluitend tot taak heeft om toezicht te houden op een specifiek onderdeel van het beleid, zoals de financiële gang van zaken binnen de rechtspersoon. Een dergelijk orgaan is geen RvC of RvT in de zin van de wet aangezien een wezenlijk element van de taak van de RvC/RvT immers is dat toezicht wordt gehouden op de algemene gang van zaken in de rechtspersoon en de daaraan verbonden onderneming of organisatie. Een orgaan dat slechts op een specifiek deelterrein toezicht houdt, voldoet niet aan die omschrijving en valt daarom buiten het stapelverbod.