Hoge Raad bevestigt rechtspraak bepaalbaarheidsvereiste van artikel 3:84 lid 2 BW

5 oktober 2026

De Hoge Raad bevestigt in ECLI:NL:HR:2026:1148 vaste rechtspraak dat een generieke omschrijving van over te dragen of te verpanden vorderingen kan volstaan voor het bepaaldheidsvereiste van artikel 3:84 lid 2 BW, mits de akte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand van objectieve gegevens kan worden vastgesteld om welke vorderingen het gaat. Een generieke omschrijving gekoppeld aan de kennis van de cedent of pandgever kan aan dit vereiste kan voldoen. Voorwaarde daarvoor is dat die kennis achteraf aan de hand van objectieve gegevens kan worden vastgesteld.

Hoge Raad over het bepaalbaarheidsvereiste

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is voor de overdracht of verpanding van vorderingen op naam noodzakelijk, maar ook voldoende, dat de akte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand van objectieve gegevens kan worden vastgesteld om welke vorderingen het gaat.

In deze zaak zijn de overgedragen vorderingen in de cessieakte omschreven als “vorderingen voor zover deze de curator in het faillissement bekend zijn of redelijkerwijs bekend kunnen zijn”. Een dergelijke aan bekendheid gekoppelde omschrijving voldoet volgens de Hoge Raad niet zonder meer aan het bepaaldheidsvereiste. De kennis van de curator is op zichzelf genomen geen objectief gegeven. Vereist is dat de bekendheid van de curator achteraf aan de hand van objectieve gegevens kan worden vastgesteld. De uitspraak is in lijn met de lezenswaardige conclusie van A-G Bartels, die nader ingaat op wat onder objectieve gegevens moet worden verstaan.

Aanbeveling voor de praktijk

Een volledig generieke omschrijving, zoals de overdracht van “alle” vorderingen, voldoet naar vaste rechtspraak steeds aan het bepaaldheidsvereiste, omdat de omvang daarvan objectief kan worden vastgesteld, bijvoorbeeld aan de hand van de administratie van de cedent. Voor de praktijk betekent dit dat het niet per definitie voordelig is om in een cessie- of pandakte uitputtend te specificeren welke vorderingen worden overgedragen of verpand. Een uitgebreide, limitatieve opsomming vergroot het risico dat niet met name genoemde vorderingen buiten de overdracht of verpanding vallen.

Een verwijzing naar “alle vorderingen” loopt aanzienlijk minder risico om vorderingen buiten de overdracht of verpanding te laten vallen dan een verwijzing naar de subjectieve kennis van de cedent of pandgever. De vorderingen van de cedent of pandgever kunnen immers gecontroleerd worden aan de hand van de administratie, het grootboek, onderliggende contracten, facturen, bankafschriften of faillissementsverslagen.

Wordt toch gekozen voor een omschrijving die aanknoopt bij de subjectieve kennis van de cedent of pandgever, dan verdient het aanbeveling daarbij op te nemen aan de hand van welke objectieve gegevens die kennis kan worden vastgesteld. Ontbreken zulke gegevens, zodat niet kan worden vastgesteld welke vorderingen onder de omschrijving vallen, dan is niet voldaan aan het bepaaldheidsvereiste en komt geen geldige overdracht of verpanding tot stand.