FDI in Nederland: essentieel voor transacties
Het Bureau Toetsing Investeringen (BTI), dat in Nederland verantwoordelijk is voor de handhaving van FDI, is sinds de inwerkingtreding van de Wet vifo steeds meer zaken gaan behandelen. Volgens het jaarverslag van het BTI is in 2025 het overgrote deel van de investeringen onvoorwaardelijk goedgekeurd, zijn er aan slechts een paar investeringen voorwaarden verbonden en is er voor geen enkele investering een verbod opgelegd of zelfs maar een grondig onderzoek verricht. Toch betekent het hoge goedkeuringspercentage niet dat de Wet vifo weinig invloed heeft op transacties. De meeste frictie is in de praktijk niet zichtbaar in de statistieken. Factoren die daarbij van belang zijn, zijn onder meer onzekerheid over het toepassingsbereik, de duur van het onderzoek (tot 176 dagen in 2025) en het feit dat partijen soms herstructureren of van een transactie afzien voordat ze een aanvraag indienen. Deze negatieve gevolgen zijn er wel, maar zijn niet terug te zien in de cijfers.
Als we naar de herkomst van de verwervers kijken, is het beeld wellicht verrassend: meer dan de helft van de in 2025 afgeronde onderzoeken betrof verwervers uit Nederland zelf. De niet Nederlandse verwervers komen met name uit de Verenigde Staten en de aangrenzende EU-buurlanden, terwijl de aanvragen vanuit Azië zeer beperkt bleven. Dit is iets wat we regelmatig bij cliënten benadrukken: in tegenstelling tot wat het woord ‘buitenlands’ in ‘buitenlandse directe investering’ suggereert, is de Wet vifo geen toetsingsstelsel voor buitenlandse investeringen op zich. Een Nederlands private-equityfonds dat een Nederlandse dual-use-onderneming verwerft, krijgt met dezelfde meldplicht en dezelfde inhoudelijke toetsing te maken als een Chinees staatsbedrijf. Bij de beoordeling van de ‘nationale veiligheid’ wordt gekeken naar de gevolgen van een zeggenschapswijziging en niet naar de nationaliteit van de verwerver als zodanig. Herkomst blijft echter een factor van belang in de risicobeoordeling.
Vanuit praktisch oogpunt blijven vragen omtrent het toepassingsbereik een terugkerend thema. De ervaring leert dat de beantwoording van die vragen het meest tijdrovende onderdeel is van de advisering over de Wet vifo. In 2025 zijn verscheidene meldingen ingetrokken of niet-ontvankelijk verklaard, omdat de transactie toch niet binnen de Wet vifo of de sectorale regimes bleek te vallen. Het toepassingsbereik van de wet strekt zich uit tot verwervingsactiviteiten die zien op ondernemingen die ‘actief zijn op het gebied van sensitieve technologie’, maar voor de uitleg van dit concept moeten uiterst technische vragen worden beantwoord. Hoewel het BTI heeft geprobeerd deze onzekerheid te verminderen door zijn richtlijnen – in het bijzonder de handleiding actief zijn op – bij te werken en meer antwoorden op veelgestelde vragen te publiceren, is er nog steeds sprake van grensgevallen. Omdat het toetsingsproces vertrouwelijk is, levert vroegtijdige afbakening (waaronder een informeel standpunt van het BTI) nog altijd voordelen op voor partijen die hun weg in het stelsel proberen te vinden.
Ten slotte wordt de handhaving steeds beter zichtbaar. Het BTI controleert actief op niet-gemelde transacties – waarbij op basis van berichten in de media en andere signalen meerdere keren per maand contact wordt opgenomen met bedrijven – en in 2025 heeft het BTI de eerste boete wegens het zogenoemde gun jumping uitgedeeld, omdat er zonder voorafgaande melding een transactie was afgerond. Er staat veel op het spel: de boetes kunnen maximaal € 1.100.000 of 10% van de jaaromzet bedragen, en transacties die in strijd met een verbodsbesluit worden afgerond, zijn nietig. Voor de partijen bij een transactie betekent dit dat ‘stilletjes een deal sluiten’ zonder daar melding van te maken geen haalbare strategie is. Wij adviseren cliënten om naleving van de Wet vifo net zo serieus te nemen als meldingen in het kader van concentratiecontrole. De gevolgen van niet-naleving zijn namelijk zowel voor de reputatie als financieel vergelijkbaar.

Uitbreiding toetsingskader
Het Nederlandse FDI-toetsingskader is uitsluitend van toepassing op investeringen in bepaalde sectoren, waarbij de overgrote meerderheid van de gevallen onder de Wet vifo valt. Dual-use en fotonica vormden in 2025 de belangrijkste sectoren, maar dit beeld kan wezenlijk veranderen wanneer het toepassingsbereik van de Wet vifo wordt uitgebreid.
Het toepassingsbereik wordt op 1 januari 2027 uitgebreid met nog eens zes zeer sensitieve technologieën, namelijk biotechnologie, kunstmatige intelligentie, geavanceerde materialen, nanotechnologie, sensor- en navigatietechnologie en ten slotte nucleaire technologie voor medisch gebruik. Met dezelfde wetswijziging wordt de kwalificatie van informatiebeveiliging en satellietcommunicatie verhoogd van sensitief naar zeer sensitief. Deze herclassificatie verlaagt de toepasselijke drempelwaarden, waardoor ook kleinere belangenverkrijgingen en invloedsvergrotingen onder het toepassingsbereik van de wet vallen.
Als we verder kijken dan het generieke regime van de Wet vifo, zien we dat er een sectorspecifiek stelsel aankomt voor activiteiten die betrekking hebben op defensie en veiligheid. Het BTI verwacht dat het parlement de Wet weerbaarheid defensie en veiligheidgerelateerde industrie (WWDVGI) in het vierde kwartaal van 2026 zal ontvangen. Met het wetsvoorstel wordt een specifieke screeningtoets geïntroduceerd voor toeleveringsketens op het gebied van defensie en veiligheid en krijgt het BTI de bevoegdheid om, op verzoek van buitenlandse overheden of internationale organisaties, aan Nederlandse entiteiten geschiktheidsverklaringen af te geven.
Of het BTI de capaciteit heeft deze aanvullende werkzaamheden te absorberen, staat nog open. Het Bureau – een relatief kleine eenheid – behandelde in 2025 91 screeningszaken., De uitbreiding van het aantal sensitieve technologieën alleen al zal naar schatting ongeveer 125 extra zaken per jaar opleveren (waarvan er 25 naar verwachting complex zullen zijn). Wanneer de WWDVGI en mogelijk de Industrial Accelerator Act (waar we al eerder over schreven) in werking zijn getreden, kan de gemiddelde doorlooptijd van 37 dagen (2025) aanzienlijk toenemen, wat tot grotere onzekerheid over transacties leidt.
Solvinity
Op advies van het BTI heeft de Nederlandse overheid op 25 mei 2026 de voorgenomen verwerving van de Nederlandse leverancier van clouddiensten Solvinity door het in de Verenigde Staten gevestigde Kyndryl verboden. Solvinity beheert kritieke digitale infrastructuur voor de Nederlandse overheid, waaronder het DigiD-platform. Er waren zorgen ontstaan over de mogelijkheid dat de Amerikaanse overheid een beroep zou kunnen doen op de Clarifying Lawful Overseas Use of Data (CLOUD) Act en zo toegang zou kunnen eisen tot gegevens die na de overname in het bezit zijn van Solvinity, ook wanneer die gegevens fysiek in Nederland zijn opgeslagen.
Hoewel de Nederlandse mededingingsautoriteit de transactie vanuit het oogpunt van mededingingsrecht afzonderlijk had goedgekeurd, kwam het BTI tot de conclusie dat de overname een risico vormde voor het algemeen belang. Het advies van het BTI om meteen een verbod op te leggen en geen mogelijkheid te bieden voor corrigerende maatregelen wijst erop dat gedragsvoorwaarden en structurele voorwaarden niet voldoende werden geacht om de geconstateerde risico’s te beperken, maar door de vertrouwelijke aard van het onderzoek is dat niet met zekerheid te zeggen.
Het is opvallend dat het verbod op grond van de Wet ongewenste zeggenschap telecommunicatie (WOZT) is uitgevaardigd en niet op grond van de Wet Vifo. In de WOZT wordt een bredere toetsing aan het ‘algemeen belang’ gehanteerd dan de norm van ‘nationale veiligheid’ in de Wet Vifo. Daaruit blijkt wel hoe complex het Nederlandse toetsingslandschap is, met meerdere overlappende stelsels die op één transactie van toepassing kunnen zijn. Daarnaast laat deze zaak zien dat zelfs investeringen vanuit de VS – de grootste buitenlandse investeerder in Nederland – nu wellicht kritischer worden bekeken.
Nexperia
In oktober 2025 was Nexperia wereldnieuws toen de Nederlandse overheid ingreep in het bestuur van de in Nederland gevestigde fabrikant van halfgeleiders door het bevel te geven om grote verplaatsingen van bedrijfsmiddelen of activiteiten te bevriezen. Waarborgen voor goed bestuur die in ieder geval sinds 2024 waren afgesproken – een raad van commissarissen, voorbehouden aangelegenheden en een chief security officer – waren niet gerealiseerd en de strategie van Nexperia was steeds meer verschoven richting een local-for-local-model waarin de nadruk lag op het veiligstellen van de productie in China. Slechts een dag later schorste de Ondernemingskamer de CEO van Nexperia en werden nagenoeg alle aandelen ondergebracht bij een door de rechtbank benoemde bewaarder. China reageerde met een exportverbod op in China gemaakte producten van Nexperia, waardoor de Europese toeleveringsketens ernstig werden verstoord en de Nederlandse overheid haar interventie moest staken. En het verhaal gaat verder: in februari 2026 gaf de Ondernemingskamer opdracht voor een nog lopend formeel onderzoek (enquête) naar de gedragingen van Nexperia en de breuk tussen de Nederlandse entiteit en haar Chinese moedermaatschappij. Wingtech, de moedermaatschappij in kwestie, is ondertussen procedures gestart tegen Nexperia en vordert daarin bij de Ondernemingskamer ruim € 1 miljard als vergoeding voor economische schade die het gevolg is van het handelen van het Nederlandse bestuur en vordert bovendien bijna € 7 miljard aan schadevergoedingen van de Nederlandse Staat.
De zaak-Nexperia illustreert wat er allemaal bij komt kijken als er achteraf wordt ingegrepen. Omdat de overname van Wingtech in 2019 heeft plaatsgevonden, dus voordat de Wet vifo in werking trad, moest de overheid voor de eerste keer sinds de vaststelling in 1952 terugvallen op de Wet beschikbaarheid goederen om het hierboven beschreven bevriezingsbevel te kunnen uitvaardigen. Deze Wet beschikbaarheid goederen is een ingrijpend middel vergeleken met de toetsing vooraf op grond van de Wet vifo, die veruit te verkiezen is boven ingrijpen nadat de zeggenschap al is overgedragen.
Europese ontwikkelingen
Herziening Europese FDI-screeningsverordening
In juni 2026 is de tekst van een herziene FDI-screeningsverordening door de Europese Raad goedgekeurd. De nieuwe regels worden 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van toepassing. De herziene verordening stelt nationale screeningmechanismen verplicht en legt een minimaal toepassingsgebied vast (waaronder halfgeleiders, AI, kwantumtechnologie, kritieke grondstoffen en electorale infrastructuur). De verordening is ook van toepassing op investeringen binnen de EU door entiteiten waarover buiten de EU zeggenschap wordt uitgeoefend (waarmee de Xella-kloof wordt gedicht) en introduceert een gestandaardiseerde toetsingstermijn in de eerste fase van 45 dagen. Daarnaast moeten lidstaten voorzien in een inroepbevoegdheid (ook wel “call-in power“): de bevoegdheid om transacties achteraf alsnog te screenen, zelfs als die transacties eerder geen voorafgaande goedkeuring nodig hadden.
Dealstructuren waarin gebruik wordt gemaakt van overnamevehikels die binnen de EU worden opgericht om screening te vermijden, worden dan zinloos. Voor Nederlandse doelondernemingen leidt het gecombineerde effect van de technologie-uitbreidingen in de Wet Vifo, de aanstaande WWDVGI voor defensie en de door de EU gestuurde harmonisatie tot grotere complexiteit in de regelgeving.
Conclusie
De verschuiving naar verplichte toetsing, strakkere tijdlijnen en consequente behandeling van indirect eigendom, die we in onze eerdere Competition Outlook al hebben gesignaleerd, vindt sneller plaats dan verwacht. De stemming binnen het EP over de herziene FDI-screeningsverordening, het eerste verbod op grond van de WOZT en de eerste boete wegens gun-jumping bevestigen stuk voor stuk dat het toetsingslandschap steeds verder wordt aangescherpt: niet alleen op papier, maar ook in de praktijk. Met de herziene FDI-screeningsverordening, de WWDVGI en de verdere uitbreidingen van de Wet Vifo in het verschiet zouden investeerders die zich richten op Nederlandse technologie, defensie of kritieke infrastructuurvoorzieningen zich bij een transactie allereerst moeten bezighouden met de FDI-toetsing en niet pas op het laatste moment moeten gaan nadenken over naleving.