Hoge Raad over WAMCA: ex nunc-toetsing, representativiteit, opdrachtvereiste en uitzondering op terugverwijzingsverbod

17 juli 2026

De Hoge Raad oordeelt deze week dat de ontvankelijkheidseisen in WAMCA-procedures in hoger beroep ex nunc worden getoetst, dat voor het aannemen van ‘eenzelfde situatie rechtens’ in de zin van art. 8 punt 1 Brussel I-bis niet is vereist dat op de vorderingen tegen de verschillende verweerders (vrijwel) hetzelfde materiële recht van toepassing is of dat zij op dezelfde rechtsgrondslag berusten en dat voorzienbaarheid bij de toepassing van art. 8 punt 1 Brussel I-bis geen zelfstandig criterium is, maar een algemeen beginsel dat in aanmerking moet worden genomen bij de toepassing van deze bepaling.

HR over WAMCA: ex nunc-toetsing, representativiteit, opdrachtvereiste art. 80 lid 1 AVG en uitzondering op terugverwijzingsverbod

Civiel

De HR oordeelt dat de ontvankelijkheidseisen in WAMCA-procedures in hoger beroep ex nunc worden getoetst. De tekst noch de wetsgeschiedenis geven aanleiding af te wijken van het uitgangspunt dat de appelrechter oordeelt naar de toestand ten tijde van zijn beslissing. De HR oordeelt verder dat het representativiteitsvereiste (art. 3:305a lid 2 BW) vereist dat de belangenorganisatie steun heeft van een voldoende groot deel van de totale groep voor wie zij opkomt. Het hof had dit miskend. De WAMCA stelt geen getalsmatig criterium; wat “voldoende groot” is, hangt af van de omstandigheden van het geval. Actieve aanmelding of lidmaatschap is niet vereist. Zo mag de rechter meewegen of de aangeslotenen een evenwichtige afspiegeling vormen van de totale groep, en zo ja, daaruit afleiden dat de collectieve actie de steun heeft van een voldoende groot deel van de totale groep. Ook steun van andere belangenorganisaties mag zelfstandig worden meegewogen. Anonieme likes tellen alleen mee als vastgesteld kan worden dat zij afkomstig zijn van personen die tot de relevante groep behoren. De HR oordeelt tevens dat het opdrachtvereiste van art. 80 lid 1 AVG geen ontvankelijkheidseis is in de zin van art. 3:305a BW. De WAMCA staat er niet aan in de weg dat de rechter de toetsing aan dit vereiste niet in de ontvankelijkheidsfase, maar in de inhoudelijke fase van de procedure verricht. De HR aanvaardt voorts een uitzondering op het terugverwijzingsverbod voor WAMCA-procedures: wanneer de rechter in eerste aanleg een belangenorganisatie niet-ontvankelijk heeft verklaard en het hof dat oordeel vernietigt, mag het hof de zaak terugwijzen naar de rechter in eerste aanleg. Dit geldt ook na cassatie en verwijzing. Tot slot oordeelt de HR dat wanneer meerdere belangenorganisaties een collectieve vordering hebben ingesteld en de rechtbank er één of meer niet-ontvankelijk verklaart, de aanwijzing van een exclusieve belangenbehartiger moet worden aangehouden totdat onherroepelijk over de ontvankelijkheid is beslist.

ECLI:NL:HR:2026:1198

HR verduidelijkt eis van ‘eenzelfde situatie rechtens’ onder artikel 8 Brussel I-bis uitzondering op het terugverwijzingsverbod ook onder oud recht

Civiel

De HR oordeelt dat voor het aannemen van ‘eenzelfde situatie rechtens’ in de zin van art. 8 punt 1 Brussel I-bis niet is vereist dat op de vorderingen tegen de verschillende verweerders (vrijwel) hetzelfde materiële recht van toepassing is of dat zij op dezelfde rechtsgrondslag berusten. Wel moet aannemelijk zijn dat de vorderingen worden beheerst door in hoofdzaak dezelfde of vergelijkbare materiële rechtsnormen. Het hof had met juistheid geoordeeld dat hieraan niet was voldaan, nu niet aannemelijk was dat de vordering tot vaststelling van groepsaansprakelijkheid (art. 6:166 BW) jegens de verschillende verweerders steeds werd beheerst door Nederlands recht of door regelingen met eenzelfde inhoud en strekking. De HR oordeelt daarnaast dat de rechter bij de beoordeling of sprake is van ‘eenzelfde situatie rechtens’ toetst aan alle relevante gegevens van de zaak, waaronder de stellingen van partijen. Hij mag daarbij volstaan met een beoordeling of aannemelijk is welk recht van toepassing is op de vorderingen en wat het buitenlandse recht inhoudt. Art. 10:2 BW staat daaraan niet in de weg. De HR oordeelt voorts dat de uitzondering op het terugwijzingsverbod die geldt bij WAMCA-procedures (HR 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1198), ook van toepassing is bij collectieve acties op de voet van art. 3:305a (oud) BW. Wanneer het hof een niet-ontvankelijkverklaring wegens het niet voldoen aan de ontvankelijkheidsvereisten van art. 3:305a lid 1 en lid 2 (oud) BW vernietigt, mag het hof eveneens na vernietiging van de einduitspraak de zaak terugwijzen naar de rechter in eerste aanleg.

ECLI:NL:HR:2026:1197

HR oordeelt over voorzienbaarheidsvereiste onder artikel 8 Brussel I-bis

Civiel

De HR oordeelt — in lijn met HvJEU 16 juni 2026 ECLI:EU:C:2026:293 — dat voorzienbaarheid bij de toepassing van art. 8 punt 1 Brussel I-bis geen zelfstandig criterium is, maar een algemeen beginsel dat in aanmerking moet worden genomen bij de toepassing van deze bepaling. Aan dat beginsel wordt met name voldaan als de situaties waarin sprake is van ‘een zo nauwe band’ voor een verweerder in het algemeen voorzienbaar zijn. Het hof oordeelde niet onjuist dat het voor deelnemers aan het JPY LIBOR-panel voorzienbaar moet zijn geweest dat zij in rechte zouden kunnen worden betrokken voor het gerecht in de woonplaats van een (andere) panelbank. De HR oordeelt vervolgens dat voor het aannemen van ‘eenzelfde situatie rechtens’ niet is vereist dat op de vorderingen tegen de verschillende verweerders hetzelfde materiële recht van toepassing is of dat deze vorderingen op dezelfde rechtsgrondslag berusten. Ook als de vorderingen tegen verschillende verweerders juridisch onderscheidenlijke kwalificaties hebben (hier: deelname aan samenspanning vs. het faciliteren daarvan), doet dat niet af aan ‘eenzelfde situatie rechtens’ omdat ook dan (eerst) zal moeten worden beoordeeld of sprake is van een inbreuk op art. 101 VWEU. De HR oordeelt ook dat een vordering tot een verklaring voor recht over onrechtmatig handelen — zonder in te gaan op de bijzonderheden van individuele gevallen — kan bijdragen aan een efficiënte en effectieve rechtsbescherming zoals beoogd door art. 3:305a (oud) BW. Een dergelijk algemeen onrechtmatigheidsoordeel kan immers in vervolgprocedures tot uitgangspunt worden genomen. Dat op de vorderingen mogelijk verschillende rechtsstelsels van toepassing zijn, staat niet aan bundeling in de weg.

ECLI:NL:HR:2026:1196