De civiele cassatieprocedure in detail

De cassatieprocedure in civiele zaken bestaat uit meerdere stappen. Deze zijn voor een vorderingsprocedure enigszins anders dan voor een verzoekprocedure.
De civiele cassatieprocedure in detail

De verschillende stappen van de civiele cassatieprocedure

  1. De cassatieadvocaat van de eiser dient een procesinleiding in, waarin de klachten staan en de uiterlijke datum is genoemd waarop de verweerder in cassatie kan verschijnen.
  2. In vorderingsprocedures plaatst de griffier een oproepingsbericht voor de verweerder in het webportaal. De eiser moet dit oproepingsbericht bij de verweerder laten bezorgen.
    In verzoekprocedures verstuurt de griffier een kopie van de procesinleiding aan de verweerder.
  3. De cassatieadvocaat van de verweerder kan vervolgens een verweerschrift indienen. Hierin wordt in vorderingsprocedures meestal nog geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen de cassatieklachten, maar alleen het standpunt ingenomen dat het cassatieberoep moet worden verworpen. Als de verweerder ook eigen klachten wil aanvoeren (‘incidenteel cassatieberoep’), moet hij dat direct in het verweerschrift doen. In dat geval kan de oorspronkelijke eiser of verzoeker op zijn beurt ook binnen vier weken een verweerschrift indienen tegen het incidenteel cassatieberoep. Dit verweerschrift bevat meestal weer alleen het standpunt dat het incidentele cassatieberoep moet worden verworpen.
    In verzoekprocedures bevatten verweerschriften meestal wel het inhoudelijke verweer.
  4. Ongeveer drie maanden nadat het verweerschrift is ingediend, kunnen partijen in een vorderingsprocedure gelijktijdig een ‘schriftelijke toelichting’ indienen. In de schriftelijke toelichting kan de eisende partij de cassatieklachten nader toelichten. De verwerende partij kan in de schriftelijke toelichting verweer voeren. Het komt ook voor dat partijen afzien van een schriftelijke toelichting, bijvoorbeeld omdat de klachten al voldoende zijn toegelicht in de procesinleiding. In sommige gevallen vindt naast of in plaats van de schriftelijke toelichting een mondelinge behandeling plaats.
    In verzoekprocedures wordt de toelichting op de klachten en het verweer meestal al in de procesinleiding en het verweerschrift opgenomen. Slechts bij hoge uitzondering wordt in verzoekprocedures nog schriftelijk toegelicht.
  5. Partijen kunnen op elkaars schriftelijke toelichting reageren (repliek en dupliek), meestal 14 dagen na de schriftelijke toelichting.
  6. De volgende stap is dat de procureur-generaal een advies (‘conclusie’) over de zaak uitbrengt. In de praktijk wordt de conclusie door een van de advocaten-generaal namens de procureur-generaal uitgebracht. Dat gebeurt meestal vier tot zes maanden na re- en dupliek. De conclusie is een onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over de afdoening van de zaak. De Hoge Raad is niet aan de conclusie gebonden, maar volgt deze vaak wel.
  7. Partijen hebben het recht om binnen 14 dagen per brief (een ‘borgersbrief’) op de conclusie te reageren.
  8. De Hoge Raad doet meestal ongeveer vier maanden na de conclusie uitspraak. Dit kan ook eerder of later zijn.

Pleidooien bij de Hoge Raad komen weinig voor

Bij de Hoge Raad verlopen procedures meestal helemaal schriftelijk. Pleidooien (ook wel ‘mondelinge behandelingen’ of ‘zittingen’) zijn zeldzaam, hoewel de Hoge Raad verzoeken om een pleidooi in beginsel toewijst. Dat partijen bijna nooit om een pleidooi vragen, hangt samen met de rol van de Hoge Raad. De Hoge Raad onderzoekt en stelt de feiten van de zaak niet opnieuw vast, maar beoordeelt slechts of de uitspraak van het hof juridisch juist is en begrijpelijk in het licht van het procesdossier. Dit leent zich bij uitstek voor schriftelijk debat. Een fysieke zitting heeft daarom meestal geen meerwaarde. Pleidooien vinden vooral plaats in zaken waarin die meerwaarde wél bestaat: zaken met veel maatschappelijke aandacht of die draaien om objecten of beelden.