Wetsvoorstel voor digitaal arbeidsplatformwerk ter internetconsultatie: het voorgestelde kader

22 juli 2026

De afgelopen jaren zijn digitale platformen een onmisbaar onderdeel geworden van het dagelijkse leven. Hoewel zij een innovatieve en praktische oplossing bieden, bleef lange tijd onduidelijk hoe de rechtsverhouding met platformwerkers moest worden gekwalificeerd. De Europese Unie heeft nu maatregelen genomen om deze leemte in de regelgeving op te vullen.

Op 11 november 2024 is Richtlijn (EU) 2024/2831 betreffende de verbetering van de arbeidsvoorwaarden bij platformwerk (de “richtlijn”) gepubliceerd. De richtlijn beoogt enerzijds de verbetering van de arbeidsvoorwaarden van personen die platformwerk verrichten en anderzijds de regulering van algoritmisch beheer en de daarmee samenhangende verwerking van persoonsgegevens. Lidstaten moeten uiterlijk op 2 december 2026 aan de richtlijn voldoen. Ter uitvoering daarvan heeft de Nederlandse wetgever het wetsvoorstel Wet platformwerk opgesteld. De Wet platformwerk staat tot 24 augustus 2026 open voor internetconsultatie, zodat belanghebbenden de wet kunnen inzien en erop kunnen reageren.

Wat wordt door de Wet platformwerk geregeld en wat is nieuw?

De Wet platformwerk introduceert uniforme definities van kernbegrippen, waardoor duidelijker wordt op wie de wet van toepassing is en platformwerkers, ook wanneer zij via een tussenpersoon werken, dezelfde bescherming genieten. Daarnaast bevat de wet een weerlegbaar rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst, regels voor algoritmisch beheer en transparantieverplichtingen voor digitale arbeidsplatformen.

Wat is een digitaal arbeidsplatform?

Een “digitaal arbeidsplatform” is een natuurlijke persoon of rechtspersoon die op verzoek van een klant, een dienst geheel of gedeeltelijk op afstand via elektronische middelen verleent waarbij het organiseren van betaald werk door particulieren een noodzakelijke en essentieel onderdeel van de dienst vormt en waarbij gebruik wordt gemaakt van geautomatiseerde monitorings- of besluitvormingssystemen. De wet is niet van toepassing op diensten waarvan het hoofddoel het delen van bezittingen of de verkoop van goederen door particulieren is, zoals platforms voor kortdurende verhuur van accommodaties of online tweedehandsmarktplaatsen.

Twee statussen voor werkenden: persoon die platformwerk verricht tegenover platformwerker – waarom is dit onderscheid belangrijk?

Onder een persoon die platformwerk verricht valt iedereen die platformwerk verricht, ongeacht de aard of de kwalificatie van de contractuele regeling. Een platformwerker daarentegen is een persoon die op basis van een arbeidsovereenkomst platformwerk verricht. Dit onderscheid is belangrijk, omdat bepaalde beschermingsmaatregelen zich opzettelijk uitstrekken tot buiten de categorie van werknemers. Alle personen die platformwerk verrichten hebben recht op bescherming tegen verboden gegevensverwerking, op transparantie over geautomatiseerde systemen, op gegevensoverdraagbaarheid, op waarborgen van menselijk toezicht en toetsing, op communicatiekanalen en op bescherming tegen nadelige behandeling. Platformwerkers ontvangen daarbovenop extra bescherming, waaronder op het gebied van gezondheid en veiligheid, werknemersvertegenwoordiging, informatie- en raadplegingsrechten, en specifieke ontslagbescherming.

Weerlegbaar vermoeden, geen automatische arbeidsstatus

De wet introduceert een weerlegbaar rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst voor personen die platformwerk verrichten. De vijf wettelijke criteria die aanleiding kunnen geven tot het rechtsvermoeden hebben betrekking op de leiding van het digitale arbeidsplatform en het toezicht daarop. Deze criteria zijn:

  • bepalen of beïnvloeden van de hoogte van de vergoeding;
  • bepalen van de verdeling of toewijzing van opdrachten;
  • toezicht houden op de uitvoering van de werkzaamheden,
  • beperken van de vrijheid om taken te aanvaarden of te weigeren, waaronder door middel van sancties, en;
  • verplichten van de inachtname van specifieke bindende regels met betrekking tot uiterlijk, gedrag of de uitvoering van het werk.

Wanneer aan ten minste twee van deze indicaties van leiding en toezicht is voldaan, wordt vermoed dat sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen de platformwerker en het digitale arbeidsplatform of, in voorkomend geval, de tussenpersoon.

Het betreft hier een procedureel vermoeden en geen automatisch vermoeden: de werkende wordt niet geherkwalificeerd als werknemer en wordt ook niet als zodanig geregistreerd bij de belastingautoriteiten of instellingen voor sociale zekerheid (zoals het UWV). De arbeidsstatus moet nog steeds in een gerechtelijke, administratieve of een handhavingsprocedure worden vastgesteld. Het rechtsvermoeden geldt uitsluitend in civielrechtelijke en arbeidsrechtelijke handhavingsprocedures, niet in fiscale of socialezekerheidsrechtelijke aangelegenheden. Het platform of de tussenpersoon kan het rechtsvermoeden weerleggen door aan te tonen dat de verhouding op basis van de normale arbeidsrechtelijke normen niet als arbeidsovereenkomst kan worden aangemerkt. Volgens de MvT is er bewust voor gekozen om geen specifieke contra-indicaties hiervoor in de wet op te nemen.

Conclusie: de nalevingsverplichtingen gaan verder dan arbeidsstatus

De wet brengt in de praktijk een tweeledige nalevingslast met zich mee voor platformen die via een digitale infrastructuur werk organiseren, toewijzen, monitoren of evalueren en de prijs ervan vaststellen. Ten eerste gelden bepaalde verplichtingen – algoritmische transparantie, menselijk toezicht, gegevensbescherming, maatregelen tegen represailles en meldingsplichten – direct voor alle personen die platformwerk verrichten, ongeacht hun arbeidsstatus. Ten tweede geldt dat wanneer er sprake is van leiding en toezicht, het weerlegbare vermoeden werkenden kan helpen om hun arbeidsstatus te bepalen, met alle arbeidsrechtelijke gevolgen van dien. Totdat die classificatie heeft plaatsgevonden, kunnen werkenden een hybride positie innemen: beschermd op grond van de wetsregels over algoritmisch beheer en collectieve rechten, maar buiten de reikwijdte van socialezekerheids-, pensioen- en loonheffingsverplichtingen.

Wanneer kunnen we de wet verwachten?

In artikel 29 lid 1 van de richtlijn wordt 2 december 2026 als uiterste omzettingsdatum vermeld. De Nederlandse overheid erkend dat deze datum niet zal worden gehaald, maar streeft ernaar om de richtlijn zo snel mogelijk uit te voeren. In de wet zijn overgangsbepalingen opgenomen: het weerlegbare vermoeden wordt uitsluitend toegepast vanaf de datum van inwerkingtreding van de wet (ongeacht de ingangsdatum van de daaraan ten grondslag liggende overeenkomst), terwijl de andere bepalingen onmiddellijk van kracht worden. Voorafgaand aan de inwerkingtreding zullen richtlijnen worden gepubliceerd ter bevordering van de naleving van het rechtsvermoeden. De wettekst kan tijdens de behandeling door de Eerste Kamer nog meerdere malen worden gewijzigd.